Eiser betwistte de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €284.000,-, en stelde dat deze te hoog was. Hij voerde aan dat achterstallig onderhoud en gedateerde voorzieningen onvoldoende waren meegewogen en dat de gebruikte oppervlakte en waarderingsfactoren in de taxatie niet klopten. De heffingsambtenaar had de waarde gebaseerd op een hogere oppervlakte en een hogere staat van onderhoud dan in het taxatieverslag was vermeld.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Er bestond onduidelijkheid over de gebruiksoppervlakte (verschillende bronnen gaven 91, 102 en 111 m² aan) en over de waarderingsfactoren voor uitstraling en onderhoud, die in de matrix afweken van het taxatieverslag zonder toelichting.
Omdat geen van beide partijen voldoende bewijs leverde voor hun waarde, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €250.000,-. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd, de aanslag onroerendezaakbelasting werd aangepast en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.