De rechtbank Rotterdam behandelde op 22 december 2023 een beschikking inzake het beëindigen van het ouderlijk gezag over een minderjarige die sinds maart 2022 bij pleegouders verblijft. De moeder was niet in staat een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden, mede door huiselijk geweld, middelengebruik en kindermishandeling. Het perspectief van de minderjarige ligt niet meer bij de moeder, maar bij de pleegouders, hetgeen door alle betrokken partijen wordt onderschreven.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) verzochten de beëindiging van het gezag en benoeming van de GI tot voogd. De moeder erkende dat het gezag beëindigd zal worden, maar verzocht aanhouding vanwege zorgen over de pleegzorgsituatie en het verlies van rechtsbescherming. De pleegouders steunden het verzoek tot gezagsbeëindiging en benadrukten de noodzaak van duidelijkheid en betere samenwerking.
De rechtbank oordeelde dat aan de wettelijke criteria voor gezagsbeëindiging is voldaan, dat het belang van de minderjarige gediend is met beëindiging van het gezag, en dat de GI als voogd het beste kan zorgen voor continuïteit en begeleiding. De verzoeken tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en tot wijziging van verblijf werden afgewezen vanwege de gezagsbeëindiging en intrekking. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan in hoger beroep worden aangevochten.