ECLI:NL:RBROT:2023:1451

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2023
Publicatiedatum
23 februari 2023
Zaaknummer
ROT 22/1112
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Wet BibobArt. 3 WobArt. 5.5 Wet open overheidArt. 10 WobArt. 11 Wob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing openbaarmaking correspondentie Bibob-procedure op grond van geheimhoudingsplicht Wet Bibob

Eiser verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van correspondentie tussen het Landelijk bureau Bibob en de gemeente Schiedam over een aanvraag voor een Bibob-advies betreffende eiser. Verweerder wees dit verzoek af op basis van artikel 28 van Pro de Wet Bibob, dat een geheimhoudingsplicht oplegt voor alle gegevens die in een Bibob-procedure zijn verkregen.

De rechtbank overweegt dat deze geheimhoudingsplicht niet alleen het Bibob-advies zelf betreft, maar ook alle gegevens die in de procedure zijn verzameld, waaronder de gevraagde correspondentie. Eiser viel als betrokkene onder de definitie van 'derde' in artikel 28, waardoor ook zijn eigen gegevens niet openbaar gemaakt mogen worden.

De rechtbank oordeelt dat er geen ruimte is voor een belangenafweging omdat artikel 28 een Pro imperatief karakter heeft. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van openbaarmaking blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/1112

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2023 in de zaak tussen

[naam eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. V.M. Weski),
en

de Minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: mr. W. El Boudakhani).

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiser om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) afgewezen.
Bij besluit van 25 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser is, zonder bericht, niet verschenen.

Overwegingen

Inleiding
1. Op 2 september 2021 heeft eiser aan verweerder verzocht om op grond van de Wob alle correspondentie tussen verweerder, meer specifiek het Landelijk bureau Bibob, en de gemeente Schiedam, die betrekking heeft op een of meerdere aanvragen om een advies op grond van de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) over eiser uit te brengen of voor te bereiden, openbaar te maken. Verweerder heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt – samengevat – het volgende in. De geheimhoudingsplicht die voortvloeit uit artikel 28 van Pro de Wet Bibob moet strikt worden toegepast en gaat boven de Wob, als algemene openbaarmakingregeling. Die geheimhoudingsplicht geldt niet alleen voor een Bibob-advies, maar voor alle informatie die op grond van de Wet Bibob is verkregen. De door eiser bedoelde informatie valt hier ook onder. Voor het maken van een belangenafweging bestaat volgens verweerder geen ruimte.
Het beroep van eiser
3. In beroep voert eiser aan dat zijn openbaarmakingsverzoek niet ziet op een (mogelijk uitgebracht) Bibob-advies, maar op correspondentie rondom een aanvraag om een Bibob-advies over hem. Die correspondentie heeft waarschijnlijk uitsluitend betrekking op eiser, en niet op derden, zodat de weigeringsgrond van artikel 28 van Pro de Wet Bibob niet aan de orde is. Voor zover er wel informatie over derden in zou voorkomen, kan die onleesbaar worden gemaakt. Volgens eiser moet er op grond van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo), welke wet op zijn verzoek van toepassing is geworden, een belangenafweging worden gemaakt.
Beoordeling door de rechtbank
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiser niet aan verweerder heeft verzocht om openbaarmaking van een Bibob-advies – dat er ook niet is – maar om openbaarmaking van de correspondentie tussen de gemeente Schiedam en het Landelijk bureau Bibob rondom een aanvraag om (eventueel) een Bibob-advies over eiser op te stellen. Eiser heeft dit verzoek gedaan op grond van de Wob. De rechtbank moet beoordelen of verweerder eisers Wob-verzoek terecht heeft afgewezen. De voor deze uitspraak relevante wetgeving is te vinden in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. De rechtbank merkt daarbij op dat ten tijde van het bestreden besluit de Wob van kracht was, en de Woo nog niet in werking was getreden. De rechtbank beoordeelt het beroep dan ook met inachtneming van de bepalingen uit de Wob.
4.2.
De rechtbank overweegt dat artikel 28, eerste lid, van de Wet Bibob een geheimhoudingsverplichting bevat die de Wob opzij zet. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), meer in het bijzonder de uitspraken van 8 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ7424, en 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:265, volgt dat artikel 28, eerste lid, van de Wet Bibob niet alleen ziet op het Bibob-advies, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. Volgens de tekst van die bepaling wordt in algemene zin gesproken over “gegevens met betrekking tot een derde”. Gegevens met betrekking tot een derde kunnen ook gegevens betreffen die aangeleverd zijn door de natuurlijke persoon of rechtspersoon die voorwerp is van een onderzoek krachtens de Wet Bibob, aldus de Afdeling in voormelde uitspraken. De rechtbank overweegt mede op grond van het vorenstaande dat artikel 28, eerste lid, van de Wet Bibob ziet op alle gegevens met betrekking tot een derde die in een Bibob-procedure zijn verkregen en dat onder een ‘derde’ als bedoeld in die bepaling ook wordt verstaan de (rechts)persoon die voorwerp is van het Bibob-onderzoek.
4.3.
Eiser heeft gevraagd om openbaarmaking van alle correspondentie (waaronder e-mail- en appverkeer) tussen het Landelijk bureau Bibob en de gemeente Schiedam, die betrekking heeft op een aanvraag om (eventueel) een Bibob-advies over hem op te stellen. De rechtbank is van oordeel dat eisers verzoek betrekking heeft op gegevens met betrekking tot een derde – onder welke noemer eiser zelf dus ook valt – die zijn verkregen in een Bibob-procedure, zoals bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet Bibob. Gelet op wat er onder 4.2 is overwogen, vallen die gegevens in zijn geheel onder de geheimhoudingsverplichting van voormelde bepaling. Dit betekent dat deze gegevens door verweerder niet, ook niet als de informatie vooral over eiser zou gaan en de delen die over anderen zouden gaan onleesbaar zouden worden gemaakt, openbaar mogen worden gemaakt. Voor het maken van een belangenafweging, zoals door eiser bepleit, bestaat gelet op het imperatieve karakter van artikel 28, eerste lid, van de Wet Bibob geen ruimte.
4.4.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder het Wob-verzoek van eiser terecht heeft afgewezen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 februari 2023.
griffer rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Wet openbaarheid van bestuur (Wob)
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)
Artikel 28
1. Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover een bij deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat.
2. Het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die een advies ontvangt, geeft de daarin opgenomen gegevens niet door, behoudens aan:
a. de betrokkene, uitsluitend voor zover dit noodzakelijk is ter motivering van de naar aanleiding van het advies te nemen beslissing;
b. de derde die in de motivering, bedoeld in de onderdeel a, wordt vermeld, uitsluitend voor zover de in die motivering opgenomen gegevens hem betreffen;
c. leden van het overleg, bedoeld in artikel 13 van Pro de Politiewet 2012, voor zover noodzakelijk voor het ondersteunen van het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak bij de motivering van de naar aanleiding van het advies te nemen beslissing;
d. een andere deelnemer aan een regionaal samenwerkingsverband voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit van bestuursorganen, de politie, het openbaar ministerie, de rijksbelastingdienst, de belastingdienst FIOD-ECD, de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en de Koninklijke marechaussee, voorzover de gegevens noodzakelijk zijn voor het ondersteunen van het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak bij het toepassen van deze wet;
e. de adviescommissie, bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht;
f. degene die door Onze Minister is verzocht om een kwaliteitstoetsing ten aanzien van de adviezen van het Bureau te verrichten, of degene die wetenschappelijk onderzoek of statistische activiteiten verricht, met dien verstande dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen bevatten en voor zover de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
g. de Algemene Rekenkamer;
h. de Nationale Ombudsman;
i. de Autoriteit persoonsgegevens;
j. de rechter;
k. de met opsporing belaste ambtenaren indien toepassing wordt gegeven aan de artikelen in het Wetboek van Strafvordering betreffende het vorderen van gegevens;
l. de inlichtingen- en veiligheidsdiensten indien toepassing wordt gegeven aan artikel 39 van Pro de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.
3. Bij de toepassing van artikel 33, eerste en tweede lid, verstrekt het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak de betrokkene of de in artikel 33, eerste lid, bedoelde derde een afschrift van het advies en wijst hem daarbij schriftelijk op zijn geheimhoudingsplicht op grond van het eerste lid. De in artikel 33, eerste lid, bedoelde derde wordt het advies slechts verstrekt voor zover het op hem betrekking heeft.
4. Indien een beschikking dan wel de intrekking van een subsidie of vergunning, de weigering van een overheidsopdracht of een vastgoedtransactie dan wel de ontbinding van een overeenkomst inzake een dergelijke opdracht of transactie, in rechte wordt aangevochten, is betrokkene bevoegd de in het eerste lid bedoelde gegevens bekend te maken aan de rechter.