ECLI:NL:RBROT:2023:148

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 januari 2023
Publicatiedatum
13 januari 2023
Zaaknummer
C/10/648837 / KG ZA 22-1018
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 6 RvArt. 118 RvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod executie verkoop Rolex horloge in afwachting bodemprocedure eigendom

De zaak betreft een geschil over het eigendom van een Rolex horloge dat in beslag is genomen en waarop executoriaal beslag is gelegd door het Havenbedrijf Rotterdam. Eiseres, moeder van de gedaagde, stelt eigenaar te zijn van de Rolex en vordert een verbod op executie van het horloge en teruggaaf aan haar.

De voorzieningenrechter constateert dat de stukken, waaronder een factuur en pintransacties, door het Havenbedrijf betwist worden en mogelijk valselijk zijn opgemaakt. De politie concludeerde dat de factuur vermoedelijk vals is, maar de rechter vindt dat er onvoldoende zekerheid is en dat nader onderzoek in een bodemprocedure nodig is.

Gezien de onduidelijkheden en het spoedeisend belang van eiseres, wordt het verbod op executie toegewezen onder de voorwaarde dat eiseres binnen twee weken een bodemprocedure start. De overige vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het verbod op executie van de Rolex wordt toegewezen onder de voorwaarde dat eiseres binnen twee weken een bodemprocedure start.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/648837 / KG ZA 22-1018
Vonnis in kort geding van 13 januari 2023
in de zaak van
[eiseres01],
wonende te [woonplaats01] ,
eiseres,
advocaat mr. R.H. Bouwman te Amsterdam,
tegen
de naamloze vennootschap
HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaten mr. R. van der Stap en mr. M. Voogt te Rotterdam.
en
[gedaagde01],
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde,
in persoon procederende.
Partijen worden hierna [eiseres01] , het Havenbedrijf en [gedaagde01] genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
  • de dagvaarding van 12 december 2022;
  • de 3 producties van [eiseres01] ;
  • de conclusie van antwoord van het Havenbedrijf;
  • de 2 producties van het Havenbedrijf.
1.2.
Op 2 januari 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in aanwezigheid van [eiseres01] en het Havenbedrijf. De voorzieningenrechter heeft ter zitting vastgesteld dat [eiseres01] met haar vorderingen in feite verzet instelt tegen de executie van een vonnis van 23 oktober 2019 van de rechtbank Amsterdam door het Havenbedrijf jegens [gedaagde01] . Artikel 438 lid 6 Rv Pro bepaalt dat verzet tegen de executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde. Gelet daarop en de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 9 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1173), heeft de voorzieningenrechter de procedure ambtshalve aangehouden om [eiseres01] in de gelegenheid te stellen [gedaagde01] (de geëxecuteerde) alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv Pro.
1.3.
Bij dagvaardingen van 3 januari 2023 heeft [eiseres01] zowel het Havenbedrijf als [gedaagde01] opgeroepen om te verschijnen voor de voorzieningenrechter. Daarbij heeft [eiseres01] haar vorderingen gewijzigd. Op 9 januari 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in aanwezigheid van alle partijen. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht, waarbij [eiseres01] zich heeft bediend van pleitaantekeningen en het Havenbedrijf met een akte de (volgens haar) daadwerkelijk gemaakte proceskosten heeft geactualiseerd.

2..De feiten

2.1.
Bij vonnis van 23 oktober 2019 heeft de rechtbank Amsterdam [gedaagde01] (gedeeltelijk hoofdelijk) veroordeeld tot betaling aan het Havenbedrijf van een bedrag van in totaal € 667.573,95 in verband met betrokkenheid bij een valselijke betalingsconstructie.
2.2.
Op 18 januari 2022 is [gedaagde01] door de politie aangehouden op verdenking van onder andere witwassen. Bij die aanhouding heeft het OM een horloge van het merk Rolex (model Rolex Day-Date Rose, rosé goud met olijfgroene wijzerplaat, nr. [nummer01] , hierna: de Rolex), een personenauto en € 2.275,00 in contanten in beslag genomen.
2.3.
[eiseres01] is de moeder van [gedaagde01] .
2.4.
Op 21 april 2022 heeft [eiseres01] bij de rechtbank Midden-Nederland een klaagschrift in de zin van artikel 552a Sv ingediend. Daarin verzoekt zij de rechtbank te gelasten dat de Rolex aan haar wordt geretourneerd, omdat zij als eigenaar de rechthebbende van de Rolex is. Bij beslissing van 24 juni 2022 heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard.
2.5.
Op 11 juli 2022 heeft het Havenbedrijf executoriaal beslag gelegd op de Rolex.

3..Het geschil

3.1.
[eiseres01] vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het Havenbedrijf te verbieden de Rolex middels een veiling, dan wel op andere wijze, te vervreemden, daar de Rolex niet het rechtmatig eigendom is van [gedaagde01] , op wie het Havenbedrijf een vordering schijnt te hebben, aangezien de Rolex het rechtmatig eigendom is van [eiseres01] ;
II. [gedaagde01] te vragen of hij bezwaren heeft tegen het feit dat de Rolex zal worden overgedragen aan [eiseres01] ; wanneer [gedaagde01] deze bezwaren niet heeft, vervolgens de Rolex aan [eiseres01] over te dragen, vooropgesteld dat de voorzieningenrechter van mening is dat de Rolex het rechtmatig eigendom is van [eiseres01] ;
III. het Havenbedrijf op te leggen de Rolex aan [eiseres01] te retourneren, daar het aantoonbaar haar eigendom is;
IV. kosten rechtens.
3.2.
Het verweer van het Havenbedrijf strekt ertoe [eiseres01] niet-ontvankelijk te verklaren althans haar vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiseres01] in de werkelijke kosten van het geding, zijnde € 10.989,00 (na vermeerdering ter zitting), dan wel een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
3.3.
[gedaagde01] heeft de vorderingen van [eiseres01] niet bestreden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4..De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang van [eiseres01] vloeit voort uit de aard van haar vorderingen.
4.2.
[eiseres01] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de Rolex haar in eigendom toebehoort, een aankoopbewijs in de vorm van een factuur van [bedrijf01] van 11 februari 2021 overgelegd. De factuur is gericht aan [eiseres01] . Daarop is te lezen dat een Rolex Day-Date Rose met nummer [nummer01] is gekocht voor een bedrag van € 36.500,00 en dat die som is voldaan door inruil van een ander horloge ad € 17.000,00 en het restant van
€ 19.500,00 contant is betaald. Voorts heeft [eiseres01] afschriften met diverse pintransacties op 23 januari en 24 januari 2021 overgelegd.
4.3.
Het Havenbedrijf betwist dat [eiseres01] eigenaar is van de Rolex. Onder overlegging van het proces-verbaal van bevindingen van de politie met bijlagen van 4
oktober 2022, waaronder een transcript van het verhoor van de eigenaar van [bedrijf01] ( [naam01] , hierna: [naam01] ) door de politie, stelt het Havenbedrijf zich op het standpunt dat de door [eiseres01] overgelegde factuur en de documenten met betrekking tot de pintransacties valselijk zijn opgemaakt.
4.4.
[gedaagde01] stelt dat de Rolex in eigendom toebehoort aan zijn moeder.
4.5.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat met de voorliggende stukken niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld of de Rolex al dan niet in eigendom toebehoort aan [eiseres01] . De politie heeft na onderzoek van de door [eiseres01] overgelegde factuur van [bedrijf01] en de afschriften met pintransacties de conclusie getrokken dat de factuur vermoedelijk valselijk is opgemaakt en dat de stukken met betrekking tot de pintransacties knip- en plakwerk zijn om een legale herkomst van de Rolex te doen voorkomen. [eiseres01] heeft echter terecht gewezen op bepaalde omstandigheden die twijfels doen rijzen over de juistheid van de conclusies die de politie heeft verbonden aan haar onderzoek.
4.6.
Ten aanzien van de factuur van [bedrijf01] merkt de voorzieningenrechter het volgende op. [naam01] heeft verklaard dat de door [eiseres01] ingediende factuur niet van hem afkomstig is en dat hij van het betreffende model Rolex slechts één exemplaar heeft verkocht aan een derde, niet zijnde [eiseres01] . Op de vraag van de politie hoe, bij die verkoop, het horloge door de koper (een man) is betaald, heeft [naam01] geantwoord dat de man een ander horloge heeft ingeruild en de rest contant heeft betaald. Na het afleggen van zijn verklaring heeft [naam01] de onderliggende verkoopfactuur verstrekt aan de politie. Daarop is echter vermeld dat de prijs van het Rolex-horloge ad € 36.500,00 volledig contant is voldaan. Dat klopt dus niet met wat [naam01] eerder verklaarde en hij is daarover niet nader nog bevraagd door de politie. Daarnaast bevat de door [eiseres01] overgelegde factuur een stempelafdruk met de naam en adresgegevens van [bedrijf01] en een handtekening of paraaf erbij. De door [naam01] verstrekte factuur heeft dat niet. [naam01] heeft daarover verklaard dat hij al sinds 2020 zijn stempel niet meer gebruikt omdat het kwijt was en dat de krabbel niet op die van hem lijkt. Niet gebleken is echter dat de politie die verklaring nader heeft onderzocht of geverifieerd. Ook is [eiseres01] bij het onderzoek niet gehoord over de aangetroffen verschillen in de facturen, terwijl dat wel voor de hand lag. Ter zitting heeft [eiseres01] toegelicht hoe de koop van de Rolex tussen haar en [bedrijf01] tot stand is gekomen, waaronder de bewuste keuze voor een roségouden Rolex-horloge met olijfgroene wijzerplaat en de inruil van een ander horloge bij de koop. Haar verklaring past bij het antwoord van [naam01] over een inruil in combinatie met een betaling. Het verweer van het Havenbedrijf dat er geen reden is om te twijfelen aan de verklaring van [naam01] en dat hij geen reden kan hebben om anders dan de waarheid te verklaren, leidt niet tot een ander oordeel. Nog afgezien van het feit dat er verschillende redenen kunnen zijn waarom [naam01] in strijd met de waarheid kan hebben verklaard, zijn er, vooralsnog onbeantwoorde vragen waarvoor nader onderzoek door de politie althans bewijslevering in een civiele procedure noodzakelijk is.
4.7.
Ten aanzien van de pintransacties heeft het Havenbedrijf terecht aangevoerd dat uit de afschriften niet valt op te maken of er op 23 januari en 24 januari 2021 één of meerdere pintransacties hebben plaatsgevonden, nu de tijdstippen bij de bedragen ontbreken. Het lag op de weg van [eiseres01] om bankafschriften met een overzicht van alle bij- en afschrijvingen op die dagen over te leggen. Dat klemt temeer nu uit één afschrift (waar wel een datum en tijd is vermeld) blijkt dat op 23 januari 2021 het saldo na boeking (waarbij kennelijk € 2.000,00 is afgeboekt) nog € 7,91 bedraagt, terwijl [eiseres01] stelt dat zij op 24 januari 2021 nog een bedrag van € 10.000,00 heeft gepind.
Daar staat tegenover dat [eiseres01] onderbouwd heeft gesteld dat zij op 7 januari 2021 een bedrag van € 115.438,27 heeft ontvangen van een notaris naar aanleiding van de verkoop van een woning en dat zij vermogend genoeg was (en is) om de Rolex aan te schaffen. Niet valt uit te sluiten dat [eiseres01] in de bodemprocedure alsnog nader inzicht verschaft in de herkomst van het door haar gestelde gepinde totaalbedrag van € 19.500,00 ter bekostiging van de Rolex, bijvoorbeeld door middel van bankafschriften waarin alle bij- en afschrijvingen op 23 januari en 24 januari 2021 (waaronder in ieder geval de gestelde pintransacties met de desbetreffende tijden) zijn vermeld.
4.8.
Uit het voorgaande vloeit voort dat er nogal wat onduidelijkheden openstaan die slechts kunnen worden uitgekristalliseerd in de bodemprocedure. Het belang van [eiseres01] bij een opschorting van de verkoop van de Rolex door het Havenbedrijf in afwachting van een beslissing in de bodemprocedure over de eigendomsvraag, weegt bij die stand van zaken zwaarder dan het belang van het Havenbedrijf bij de executieverkoop van de Rolex. Wel mag van [eiseres01] voortvarendheid worden verlangd bij het aanhangig maken van de bodemprocedure. Dat brengt met zich dat de voorzieningenrechter het Havenbedrijf verbiedt om de Rolex middels een veiling dan wel op andere wijze te vervreemden totdat in een bodemprocedure wordt beslist over de vraag aan wie de Rolex in eigendom toebehoort, dit uitsluitend onder de voorwaarde dat [eiseres01] binnen 2 weken na de uitspraak van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt om de eigendom van de Rolex te laten vaststellen.
4.9.
Voor het overige worden de vorderingen van [eiseres01] afgewezen.
4.10.
Aangezien partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat geldt ook voor de kosten van [gedaagde01] .

5..De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt het Havenbedrijf om de Rolex middels een veiling dan wel op andere wijze te vervreemden totdat in een bodemprocedure wordt beslist over de vraag aan wie de Rolex in eigendom toebehoort, dit uitsluitend onder de voorwaarde dat [eiseres01] binnen 2 weken na de uitspraak van dit vonnis de bodemprocedure aanhangig maakt;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en door mr. Th. Veling ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2023.
2091 / 2009