6.5.Bij de Wet van 16 december 2020 (Staatsblad 2021, 26) is onder meer aan de minister de bevoegdheid gegeven om voor overtreding van artikel 2a van de Alcoholwet een bestuurlijke boete op te leggen. Gelet op het belang dat blijkens de memorie van toelichting bij (het voorstel van) deze wet is toegekend aan handhaving van het verbod in deze bepaling heeft verweerder, anders dan eiseres heeft aangevoerd, niet hoeven volstaan met een waarschuwing of een last onder dwangsom. Verweerder heeft daarbij gehandeld overeenkomstig zijn interventiebeleid dat, afgezien van de bepaling van de hoogte van de boete, niet onredelijk is.
7. Als verweerder nalaat om een boetebedrag te verlagen indien dat wegens feiten en omstandigheden onevenredig hoog is zal de rechter deze boete, indien die wordt bestreden, matigen. Dat is hier – gelet op het voorgaande – aan de orde. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit komt voor wat betreft de hoogte van de boete voor vernietiging in aanmerking. Het primaire besluit zal worden herroepen voor wat betreft de hoogte van de boete.
8. De rechtbank zal gelet op artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien en matigt de aan eiseres opgelegde boete van € 1.360,- met 75 % naar € 340,-. Hiervoor is van belang dat aannemelijk is gemaakt dat het een eenmalig incident is geweest als gevolg van een automatiseringsfout en na de overtreding direct maatregelen zijn getroffen om herhaling te voorkomen en voorts dat de mate waarin ten onrechte de indruk is gewekt dat een hogere korting is verleend dan 25 % gering was, waarbij in aanmerking kan worden genomen, zoals ter zitting toegelicht, dat de website specifiek is gericht op liefhebbers van Chileense wijnen, zodat het minder aannemelijk moet worden geacht dat van een kleine overschrijding van de toegestane maximale prijsactie van 25 % een grote koopprikkel naar een breed publiek zal zijn uitgegaan.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert vier punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 597-, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 2.868,-.
Daarnaast heeft [naam 1] voor de zitting verzocht om vergoeding van zijn reiskosten. De reiskosten stelt de rechtbank op basis van de kosten van het openbaar vervoer laagste klasse voor een retour vast op € 32,86.
De totale proceskostenvergoeding bedraagt dan € 2.900,86.