Eiseres, een organisatie die ME-patiënten vertegenwoordigt, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om een subsidie toe te kennen aan de ME/CVS Stichting Nederland voor 2022. De minister verleende de subsidie aan de Stichting, waarna eiseres bezwaar maakte en beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen en het subsidiebesluit zelf.
De rechtbank constateerde dat de beslistermijn voor het bezwaar was overschreden, maar dat inmiddels een beslissing was genomen en een dwangsom was toegekend, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk werd verklaard. Verder werd vastgesteld dat de minister de hoorplicht had geschonden door eiseres niet te horen bij het bezwaar, maar dat dit gebrek werd gepasseerd omdat eiseres haar standpunt volledig in beroep kon toelichten.
De kern van het geschil betrof de vraag of de Stichting zich richt op een onderscheiden aandoening zoals vereist voor subsidie. De rechtbank oordeelde dat de Stichting zich op ME-patiënten richt, ook al gebruikt zij de term ME/CVS die niet in de ICD-10 voorkomt, terwijl ME wel is opgenomen. De stelling van eiseres dat de Stichting zich alleen op SEID richt, werd verworpen. Het beroep tegen het subsidiebesluit werd daarom ongegrond verklaard.
Ten slotte werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht, terwijl proceskosten verder niet werden toegekend.