Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoeker;
- mevrouw G. van Steenbergen, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om één schuldeiser te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling. Het verzoek betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige WW-uitkering van verzoeker, die tevens een re-integratietraject volgt en een BBL-opleiding wil starten. De regeling voorziet in een uitkering van 4,234% aan preferente en 2,117% aan concurrente schuldeisers.
Een van de schuldeisers, met een vordering van €3.099,00, weigert in te stemmen. Hoewel zij niet is verschenen om haar standpunt toe te lichten, is haar belang bij volledige betaling erkend. De rechtbank weegt dit belang af tegen dat van verzoeker en de overige schuldeisers.
De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is aangetoond dat verzoeker niet in staat is om meer te betalen, aangezien hij geen medische beperkingen heeft en een re-integratietraject volgt. De huidige afloscapaciteit is daarom niet blijvend vastgesteld. Gezien het aandeel van de schuldeiser in de totale schuld en de belangenafweging, weegt het belang van de schuldeiser zwaarder.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot gedwongen schuldregeling af. Een afzonderlijke beslissing over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal volgen.
Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen omdat het aangeboden saneringskrediet niet het maximale is dat verzoeker kan betalen.