Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoekster;
- [naam], broer van verzoekster;
- mevrouw C. Opstal, werkzaam bij GNG Bewindvoering (hierna: beschermingsbewind);
- mevrouw A. Ekkel, advocaat van verzoekster.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 27 oktober 2022 waarin ontruiming werd bevolen. Verzoekster heeft een moeilijke periode doorgemaakt na het overlijden van haar partner, die de financiën beheerde. Sindsdien is zij onder beschermingsbewind gesteld en wordt haar administratie door haar broer ondersteund.
De rechtbank beoordeelt of sprake is van een bedreigende situatie en concludeert dat dit het geval is, gezien de aangekondigde ontruiming op 23 februari 2023. Er wordt een belangenafweging gemaakt tussen verzoekster, die in de woning wil blijven en haar schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, en verweerster, die het vonnis wil uitvoeren.
De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan, mede door het beschermingsbewind en het inkomen van verzoekster. Daarom weegt het belang van verzoekster zwaarder. De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de termijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.