De zaak betreft een verzetprocedure waarin eiser [persoon A01] de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde eist wegens een huurachterstand. De huurachterstand bedroeg bij dagvaarding €4.750,00. De huurder, [persoon B01], betwistte de achterstand en de rechtmatigheid van de ontbinding, maar onderbouwde dit onvoldoende en verscheen niet bij de mondelinge behandeling.
De kantonrechter stelde vast dat de huurachterstand voldoende was gespecificeerd en dat de tekortkoming in de nakoming van de huuroverplichting ernstig genoeg was om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. Hoewel een contractuele medehuurder niet was gedagvaard, werd ervan uitgegaan dat de huurovereenkomst met haar niet meer bestond vanwege eerdere kortgedinguitspraak en afstand van het gehuurde.
Een verzoek om uitstel van betaling (terme de grâce) werd afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen dat de huurder binnen afzienbare tijd zou betalen. Het verzet werd afgewezen en het verstekvonnis bekrachtigd. [persoon B01] werd veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure.