Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 maart 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres], uit [plaats] , eisers
Rechtbank Rotterdam
Eisers ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet, die per 26 maart 2019 werd beëindigd en teruggevorderd vanwege niet gemelde inkomsten uit werkzaamheden in Groot-Brittannië. Verweerder stelde dat eisers de inlichtingenplicht hadden geschonden door deze inkomsten niet te melden, wat leidde tot een te hoog toegekende bijstand.
Eisers voerden aan dat zij niet in Groot-Brittannië waren geweest en dat een onbekende derde hun identiteit had misbruikt om daar te werken en inkomsten te genereren. Zij stelden ook dat een wijzigingsformulier niet door hen was ingevuld. De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn bewijslast had voldaan en dat eisers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat sprake was van identiteitsfraude.
De rechtbank overwoog dat het ontbreken van aangifte van identiteitsfraude in Groot-Brittannië, inconsistenties in de verklaringen over het paspoort en het ontbreken van een verklaring voor de inschrijving van eiseres in Engeland, het verweer van eisers onvoldoende onderbouwden. Daarnaast was het gebruik van een pinpas in Nederland niet doorslaggevend om het verblijf van eiser in Groot-Brittannië te ontkennen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het recht op bijstand had ingetrokken en de teveel ontvangen bijstand had teruggevorderd. Het beroep van eisers werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.