ECLI:NL:CRVB:2017:1255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten ondanks betwisting identiteitsfraude
Appellant ontvangt sinds 2010 bijstand op grond van de Participatiewet en werd geconfronteerd met een herzieningsbesluit vanwege niet gemelde inkomsten uit een dienstverband in de periode augustus tot en met september 2014. Het college stelde op basis van gegevens uit Suwinet en salarisspecificaties vast dat appellant inkomsten had genoten, waarop de bijstand werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de loonbelastingverklaring en salarisspecificaties voldoende bewijs vormden dat appellant de werkzaamheden had verricht. Appellant voerde in hoger beroep aan slachtoffer te zijn van identiteitsfraude en dat hij nooit voor de werkgever had gewerkt, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken.
De Raad overwoog dat het college aan de bewijslast voldeed en dat appellant onvoldoende objectief bewijs leverde voor zijn stelling van identiteitsfraude. De enkele stelling dat de loonbelastingverklaring tijdens een sollicitatiegesprek was ingevuld en het ontbreken van een arbeidsovereenkomst waren onvoldoende. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de bijstand en wijst het hoger beroep af wegens onvoldoende bewijs van identiteitsfraude.