BTC vorderde betaling van een openstaand bedrag voor geleverde metalen scheepsonderdelen aan Poseidon. Poseidon betwistte de vordering primair op grond van cessie aan derden en stelde daarnaast een tegenvordering wegens niet-naleving van levertijden en gebrekkig gietwerk.
De rechtbank oordeelde dat BTC geen eigenaresse meer was van de vordering omdat zij deze had gecedeerd aan Impact Factoring B.V., die de vordering vervolgens aan DFL Finance B.V. had overgedragen. BTC kon niet aantonen dat de vordering was teruggecedeerd omdat zij geen geldige cessieakte had overgelegd, ondanks meerdere kansen hiertoe.
Daarom werden de vorderingen van BTC afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten. De reconventionele vordering van Poseidon werd aangehouden om partijen de gelegenheid te geven overleg te plegen over de voortzetting van de procedure, waarbij Poseidon zich bij akte kan uitlaten over het al dan niet doorprocederen.
De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en bepaalde dat de zaak op 12 april 2023 zal worden voortgezet met een akte van Poseidon. De beslissing benadrukt het belang van een juiste cessieakte voor de geldigheid van vorderingen na overdracht.