ECLI:NL:RBROT:2023:2284

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
10152085 / VZ VERZ 22-13054
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 282a lid 2 RvArt. 282a lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens niet betalen griffierecht in verzoek tot horen getuigen

Op 18 oktober 2022 diende verzoeker een verzoekschrift in om drie getuigen te horen. Verzoeker werd geïnformeerd over de verplichting tot betaling van het griffierecht binnen vier weken na indiening, conform artikel 3 lid 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken en artikel 282a lid 2 Rv. Verzoeker vroeg vrijstelling en/of opschorting van betaling, maar dit werd afgewezen.

In afwachting van een uitspraak in een kort geding tegen de Staat der Nederlanden werd de beslissing uitgesteld. Op 7 februari 2023 werd het kort geding afgewezen. Ondanks herhaalde verzoeken heeft verzoeker het griffierecht niet voldaan en heeft hij geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een onbillijkheid van overwegende aard kunnen rechtvaardigen.

De kantonrechter concludeert dat verzoeker volhardt in zijn standpunt dat betaling onterecht is en ziet geen reden om hem alsnog in de gelegenheid te stellen het griffierecht te voldoen. Daarom wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het horen van getuigen.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht zonder onbillijkheid van overwegende aard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10152085 / VZ VERZ 22-13054
datum uitspraak: 17 maart 2023
Beschikking van de kantonrechter
op het verzoek van
[verzoeker01],
wonende in [woonplaats01] ,
verzoeker,
die zelf procedeert,
om als getuigen te horen

1..[verweerder01] ,

2. [verweerder02],
3. [verweerder03],
allen wonende op een onbekend adres,
verweerders.

1..De beoordeling

1.1.
Op 18 oktober 2022 is een verzoekschrift van verzoeker ontvangen. De ontvangst van het verzoekschrift is per brief aan verzoeker bevestigd. In diezelfde brief is aan verzoeker medegedeeld dat hij op grond van artikel 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken verplicht is om het verschuldigde griffierecht binnen vier weken - te rekenen vanaf de indiening van het verzoekschrift - te voldoen en dat hij bij gebreke van tijdige betaling het risico loopt dat de kantonrechter hem op grond van artikel 282a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) niet-ontvankelijk verklaart in zijn verzoek.
1.2.
Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht en/of opschorting van de betalingstermijn is afgewezen.
1.3.
Op verzoek van zijn raadsvrouw is medegedeeld dat in afwachting van de uitspraak van een door verzoeker tegen de Staat der Nederlanden aangespannen kort geding nog geen uitspraak in deze zaak wordt gedaan.
1.4.
Op 7 februari 2023 is uitspraak gedaan in het kort geding tegen de Staat en zijn de vorderingen van verzoeker in het kort geding afgewezen. De kantonrechter zal daarom nu uitspraak doen.
1.5.
De kantonrechter heeft geconstateerd dat, ondanks herhaald verzoek daartoe, het griffierecht op dit moment nog steeds niet is voldaan. De termijn van vier weken - te rekenen vanaf de indiening van het verzoekschrift - is ruimschoots verstreken. Verzoeker heeft na de afwijzing van zijn verzoek als bedoeld onder 1.2. en na de uitspraak in het door hem aangespannen kort geding niet meer van zich laten horen. Daarom gaat de kantonrechter er vanuit dat verzoeker volhardt in zijn standpunt dat hij ten onrechte griffierecht moet betalen en ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om verzoeker opnieuw in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.
1.6.
Aangezien verzoeker ook geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat niet-ontvankelijkverklaring in zijn verzoek gelet op zijn belang bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 282a lid 4 Rv, waarvan bijvoorbeeld sprake is in het geval van niet-tijdige afboeking van het griffierecht van een rekening-courant (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 oktober 2011, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2011:BS1687), wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

2..De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
38671