ECLI:NL:RBROT:2023:2287

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
10183945 / VZ VERZ 22-13751
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 282a lid 2 RvArt. 282a lid 4 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om getuigenverhoor wegens niet betalen griffierecht

Op 6 november 2022 diende verzoeker een verzoekschrift in bij de rechtbank Rotterdam om als getuige te horen verweerder. De rechtbank bevestigde de ontvangst en wees verzoeker op de verplichting om het griffierecht binnen vier weken te voldoen, met de waarschuwing dat niet-betaling kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 282a lid 2 Rv.

Verzoeker vroeg om vrijstelling of opschorting van het griffierecht, maar dit werd afgewezen. In afwachting van de uitspraak in een door verzoeker aangespannen kort geding tegen de Staat der Nederlanden werd de beslissing aangehouden. Na afwijzing van het kort geding op 7 februari 2023 stelde verzoeker het griffierecht nog steeds niet te hebben voldaan.

De kantonrechter constateerde dat ondanks herhaalde verzoeken het griffierecht niet was betaald en dat verzoeker geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die een onbillijkheid van overwegende aard konden rechtvaardigen. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om getuigenverhoor.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht zonder toepassing van uitzonderingen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10183945 / VZ VERZ 22-13751
datum uitspraak: 17 maart 2023
Beschikking van de kantonrechter
op het verzoek van
[verzoeker01],
wonende in [woonplaats01] ,
verzoeker,
die zelf procedeert,
om als getuige te horen
[verweerder01],
wonende op een onbekend adres,
verweerder.

1.De beoordeling

1.1.
Op 6 november 2022 is een verzoekschrift van verzoeker ontvangen. De ontvangst van het verzoekschrift is per brief aan verzoeker bevestigd. In diezelfde brief is aan verzoeker medegedeeld dat hij op grond van artikel 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken verplicht is om het verschuldigde griffierecht binnen vier weken - te rekenen vanaf de indiening van het verzoekschrift - te voldoen en dat hij bij gebreke van tijdige betaling het risico loopt dat de kantonrechter hem op grond van artikel 282a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) niet-ontvankelijk verklaart in zijn verzoek.
1.2.
Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht en/of opschorting van de betalingstermijn is afgewezen.
1.3.
Op verzoek van zijn raadsvrouw is medegedeeld dat in afwachting van de uitspraak van een door verzoeker tegen de Staat der Nederlanden aangespannen kort geding nog geen uitspraak in deze zaak wordt gedaan.
1.4.
Op 7 februari 2023 is uitspraak gedaan in het kort geding tegen de Staat en zijn de vorderingen van verzoeker in het kort geding afgewezen. De kantonrechter zal daarom nu uitspraak doen.
1.5.
De kantonrechter heeft geconstateerd dat, ondanks herhaald verzoek daartoe, het griffierecht op dit moment nog steeds niet is voldaan. De termijn van vier weken - te rekenen vanaf de indiening van het verzoekschrift - is ruimschoots verstreken. Verzoeker heeft na de afwijzing van zijn verzoek als bedoeld onder 1.2. en na de uitspraak in het door hem aangespannen kort geding niet meer van zich laten horen. Daarom gaat de kantonrechter er vanuit dat verzoeker volhardt in zijn standpunt dat hij ten onrechte griffierecht moet betalen en ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om verzoeker opnieuw in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.
1.6.
Aangezien verzoeker ook geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat niet-ontvankelijkverklaring in zijn verzoek gelet op zijn belang bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 282a lid 4 Rv, waarvan bijvoorbeeld sprake is in het geval van niet-tijdige afboeking van het griffierecht van een rekening-courant (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 oktober 2011, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2011:BS1687), wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

2.De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
38671