ECLI:NL:RBROT:2023:2649

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 maart 2023
Publicatiedatum
28 maart 2023
Zaaknummer
: C/10/652450 / KG ZA 23-105
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting Jeugdbescherming tot opstarten contactregeling tussen moeder en minderjarige

De vrouw, moeder van de minderjarige, vordert in kort geding dat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond wordt veroordeeld tot het met spoed opstarten van een zorgregeling waarbij de minderjarige één uur per week contact heeft met zijn moeder. De minderjarige woont bij de vader en het contact met de moeder was al ruim vijf maanden volledig verbroken.

De rechtbank constateert dat ondanks eerdere toezeggingen door de GI het contact niet is opgestart en dat dit zorgelijk is, mede gelet op eerdere beschikking van de kinderrechter waarin overleg over de omgangsregeling werd opgedragen. De GI erkent het uitblijven van contact en biedt excuses aan. Er is inmiddels een gezinsvoogd aangesteld die spoedig actie zal ondernemen.

De GI heeft toegezegd het contact te zullen opstarten met een kennismaking op school, gevolgd door een herstelgesprek en daarna wekelijkse contactmomenten. De rechtbank veroordeelt de GI tot nakoming van deze afspraken en legt een dwangsom op van €100 per overtreding tot maximaal €5.000. Tevens wordt de GI veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De Jeugdbescherming wordt veroordeeld tot het opstarten van contact tussen moeder en minderjarige met wekelijkse contactmomenten en een dwangsom bij niet-nakoming.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
zaaknummer / rolnummer: C/10/652450 / KG ZA 23-105
Vonnis in kort geding van 16 maart 2023
in de zaak van
[eiseres01],
wonende te [woonplaats01] ,
eiseres,
advocaat mr. N. Aydogan-Kütük te Rotterdam,
tegen
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde.
Partijen zullen hierna de vrouw en de GI genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 10 februari 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 7 maart 2023. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. N. Aydogan-Kütük;
  • de heer [vader01] (hierna: de vader);
  • de GI, vertegenwoordigd door [naam01] en [naam02] ;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam03] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De vrouw is gehuwd geweest met [vader01] (hierna: de vader).
2.2.
Uit de vrouw is geboren de minderjarige:
[minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2012 te [geboorteplaats01] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 februari 2019 is [voornaam minderjarige01] onder toezicht gesteld, deze maatregel is daarna meerdere malen verlengd. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] bij de vader met gezag verleend, deze maatregel is daarna bij beschikking van 13 oktober 2022 verlengd. Bij beschikking van deze rechtbank van 25 januari 2023 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige01] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] bij de vader verlengd tot 12 augustus 2023.
2.5.
De gewone verblijfplaats van de minderjarige is bij de vader.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad, de GI te veroordelen om met spoed haar medewerking te verlenen aan het opstarten van een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige in die zin dat de minderjarige bij haar zal zijn één uur per week, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere keer dat de GI daar niet aan meewerkt met een maximum van € 5.000,-. Daarnaast vordert de vrouw de GI te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Spoedeisend belang
4.1.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang volgt uit het feit dat tussen de vrouw en de minderjarige al ruim vijf maanden geen contact is. De voorzieningenrechter zal daarom overgaan tot de materiële beoordeling van het gevorderde.
4.2.
Zorgregeling
4.2.1.
Gebleken is dat na de uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader op 3 oktober 2022 er geen enkel contact is geweest tussen de vrouw en de minderjarige. Ondanks vele toezeggingen door de GI is het contact tussen de vrouw en de minderjarige de afgelopen vijf maanden niet opgestart. De vrouw stelt dat ze overal aan mee wil werken en bereid is om begeleide omgang mogelijk te maken.
4.2.2.
De voorzieningenrechter vindt het zorgelijk dat er de afgelopen maanden geen contact is geweest tussen de vrouw en de minderjarige, temeer daar de kinderrechter in voornoemde beschikking van 13 oktober 2022 heeft overwogen dat samen met de GI de komende tijd moet worden overlegd hoe de omgangsregeling tussen de vrouw en de minderjarige door kan lopen nu de minderjarige bij de vader woont. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het contact tussen de vrouw en de minderjarige zo spoedig mogelijk moet worden opgestart.
4.2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI erkend dat het opstarten van het contact tussen de vrouw en de minderjarig veel te lang heeft geduurd. De GI heeft daarvoor haar excuses aan de vrouw aangeboden. De zaak is ten onrechte aangemerkt als een Cluster7-zaak. 2 Behandelaars zijn bij de zaak betrokken geweest maar dat heeft niet geleid tot concrete acties. De heer [naam01] is nu aangesteld als gezinsvoogd. Hij zal de zaak voortvarend ter hand nemen.
4.2.4.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd om het contact tussen de vrouw en de minderjarige op te starten en heeft inmiddels overleg gevoerd met een gedragswetenschapper. De GI zal op 20 maart 2023 kennismaken met de minderjarige bij hem op school. Tijdens dat gesprek zal de minderjarige worden voorbereid op een herstelgesprek met de vrouw. Het herstelgesprek tussen de vrouw en de minderjarige zal op 22 maart 2023 plaatsvinden op het kantoor van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond. Vlak voor het herstelgesprek zal de vrouw worden voorbereid op het herstelgesprek met de minderjarige. De GI heeft aangegeven dat na het herstelgesprek wekelijkse contactmomenten tussen de vrouw en de minderjarige zullen plaatsvinden. Na zes contactmomenten zal er worden geëvalueerd om te bekijken hoe het contact verloopt.
4.2.5.
De vrouw is het eens met het voorstel van de GI en hoopt dat de gemaakte afspraken worden nagekomen.
4.3.
Dwangsom
4.3.1.
De voorzieningenrechter ziet voldoende aanleiding om een dwangsom aan het opstarten van een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige te verbinden. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het navolgende omschreven.
4.4.
Proceskosten
4.4.1.
Omdat de vorderingen van de vrouw zonder enig verweer integraal worden toegewezen, zal de voorzieningenrechter de GI als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de procedure.
De kosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op:
  • salaris € 697,00
  • in debet gestelde griffierechten € 86,00
  • verschotten
Totaal € 915,29

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de GI om haar medewerking te verlenen aan het opstarten van een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige in die zin dat:
  • de GI op 20 maart 2023 zal kennismaken met de minderjarige op zijn school, waarbij de minderjarige zal worden voorbereid op een herstelgesprek met de vrouw;
  • het herstelgesprek tussen de vrouw en de minderjarige zal plaatsvinden op 22 maart 2023 op het kantoor van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond;
  • de vrouw vlak voor het herstelgesprek zal worden voorbereid op het herstelgesprek met de minderjarige;
  • na het herstelgesprek wekelijks contactmomenten van minimaal 1 uur zullen plaatsvinden;
  • na zes contactmomenten zal er worden geëvalueerd om te bekijken hoe het contact verloopt.
5.2.
veroordeelt de GI om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere keer dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;
5.3.
veroordeelt de GI in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot € 915,29;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.A. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2023. [1]

Voetnoten

1.coll: 1708 / 2303