De zaak betreft een beroep van een werkgever tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een arbeidsongeschikte werknemer.
De werknemer was sinds september 2019 arbeidsongeschikt en onderging meerdere medische behandelingen met complicaties, waardoor de re-integratie werd vertraagd. De bedrijfsarts had de werknemer als volledig arbeidsongeschikt verklaard, zowel vóór als na 1 december 2020, ondanks dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV meenden dat vanaf die datum een belastbaarheidsprofiel opgesteld had moeten worden.
De rechtbank volgt een nuancering van vaste rechtspraak dat het risico van een onjuist advies van de bedrijfsarts in beginsel bij de werkgever ligt, tenzij redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden gevergd te twijfelen aan dat advies. Gezien de opeenvolgende medische complicaties en de consistentie van de adviezen van de bedrijfsarts, oordeelt de rechtbank dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat de werkgever had moeten twijfelen aan de adviezen.
Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor de loonsanctie komt te vervallen. Tevens wordt het griffierecht aan de werkgever vergoed en wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten.