De rechtbank Rotterdam behandelde op 12 april 2023 de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie tegen de veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor het faciliteren van illegaal verblijf in Nederland. De ontnemingsvordering betrof een bedrag van €16.385, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Tijdens de terechtzitting van 29 maart 2023 werd het rapport over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel besproken. De verdediging betwistte de vordering primair vanwege onvoldoende duidelijkheid over de gewerkte uren en aftrekkosten, en subsidiair op basis van de draagkracht van de veroordeelde. De officier van justitie stelde een betalingsverplichting van €2.915 voor, gelijk aan het conservatoir beslag.
De rechtbank oordeelde dat het rapport een voldoende nauwkeurige en voor de veroordeelde gunstige schatting bevatte en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €16.385. Gezien de financiële situatie van de veroordeelde, met veel schulden en een beperkt inkomen, stelde de rechtbank de betalingsverplichting vast op €2.915. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 116 dagen.
De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam en is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.