ECLI:NL:RBROT:2023:3068

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2023
Publicatiedatum
12 april 2023
Zaaknummer
ROT 21/3805
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Besluit Fiscaal BestuursrechtArt. 25 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 231 GemeentewetArt. 7:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens niet geschonden hoorplicht

Verweerder legde eiser bij beschikking van 17 februari 2021 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op van in totaal €66,10. Eiser maakte bezwaar tegen deze aanslag, dat door verweerder ongegrond werd verklaard bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2021. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank stelde vast dat eiser op 30 januari 2021 zonder te betalen parkeerde op een locatie met betaald parkeerregime. Het geschil betrof met name de vraag of de hoorplicht door verweerder was geschonden. Eiser stelde dat hij ten onrechte niet was gehoord, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder niet gehouden was tot het organiseren van een hoorzitting omdat eiser niet expliciet om een hoorzitting had verzocht. Het toepasselijke recht maakt het horen van belanghebbenden op verzoek verplicht, en artikel 9 van Pro het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is niet van toepassing op gemeentelijke heffingsambtenaren.

Daarnaast verzocht eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de termijn van twee jaar sinds ontvangst van het bezwaarschrift nog niet was verstreken, zodat geen overschrijding was en geen schadevergoeding werd toegekend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter S. Ketelaars-Mast op 27 maart 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/3805

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2023 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. B. de Jong),
en

[naam functie] Belastingen van de gemeente Schiedam, verweerder,

(gemachtigde: mr. Annette Smits).

Inleiding

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 17 februari 2021 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 66,10, bestaande uit
€ 1,90 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 64,20 aan kosten naheffing (aanslagnummer [nummer] ).
Bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beschikking en de aanslag ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2023. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door een collega van zijn gemachtigde, mr. P.C. van den Aarsen. De gemachtigde van verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Op 30 januari 2021 om 12:11 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van eiser (kenteken [kentekennummer] ) stond geparkeerd op locatie Burgemeester Honnerlage Gretelaan te Schiedam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan. Er bestaat geen geschil over dat daar op dat moment een betaald parkeerregime gold en dat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald.
2. In geschil is of de hoorplicht is geschonden.
Hoorplicht
3.1.
Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord. Volgens eiser had hij gehoord moeten worden door verweerder op grond van artikel 9, eerste lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, ook nu hij niet expliciet had verzocht om een hoorzitting.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in verbinding met artikel 231 van Pro de Gemeentewet wordt belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, alleen gehoord op verzoek. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaarschrift niet heeft verzocht om te worden gehoord. Het enkel opvragen van de op de zaak betrekking hebbende stukken kan niet als een dergelijk verzoek worden aangemerkt. Het arrest van de Hoge Raad, waarnaar eiser in beroep verwijst (ECLI:NL:HR:2020:1011), ziet op een situatie waarin verweerder aan belanghebbende heeft gevraagd of hij gehoord wilde worden en daarop heeft geantwoord dat hij het recht voorbehield om, na ontvangst van de opgevraagde onderliggende stukken voor zover noodzakelijk gehoord te worden. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Verweerder was daarom niet gehouden een hoorzitting te organiseren, ook niet op grond van artikel 9 van Pro het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Dit artikel is namelijk slechts verbindend voor de Rijksbelastingdienst en niet voor gemeentelijke heffingsambtenaren. [1]
4. Het beroep is ongegrond.
Redelijke termijn
5.1.
Eiser heeft in zijn brief van 8 februari 2023 verzocht om immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.2.
Op basis van de richtlijnen van de Hoge Raad, zoals omschreven in zijn arrest van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) behoren geschillen binnen een redelijke termijn te worden berecht. Hierbij geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt.
5.3.
Het bezwaarschrift is gedateerd op 28 maart 2021. Op het moment van uitspraak zijn er sinds het bezwaar nog geen twee jaren verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn nog niet is overschreden. Voor een immateriële schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn bestaat daarom geen aanleiding.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.D.F. Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2023.
griffier
De rechter is verhinderd te tekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Volgens Hof Amsterdam 4 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:964.