ECLI:NL:RBROT:2023:315

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 januari 2023
Publicatiedatum
19 januari 2023
Zaaknummer
10061210 \ CV EXPL 22-26022
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde facturen na afwijzing beroep op verrekening wegens gebrek aan ingebrekestelling

In deze civiele zaak vordert eiseres betaling van onbetaalde facturen voor uitgevoerde werkzaamheden, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde betwist de vordering en stelt dat de werkzaamheden van onvoldoende kwaliteit waren, waardoor hij kosten heeft moeten maken voor herstel en deze kosten wil verrekenen met de facturen.

De kantonrechter beoordeelt of sprake is van verzuim van eiseres, hetgeen een vereiste is voor schadevergoeding en verrekening. Uit het dossier blijkt dat gedaagde geen redelijke termijn voor nakoming heeft gesteld in de ingebrekestelling en ook niet heeft aangetoond dat verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden. Hierdoor faalt het beroep op verrekening.

De rechtbank wijst de hoofdsom van de facturen toe, evenals de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente over de hoofdsom. De gevorderde rente over de incassokosten en rente op rente worden afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de facturen, rente en incassokosten; het beroep op verrekening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10061210 \ CV EXPL 22-26022
datum uitspraak: 13 januari 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres], die handelt onder de naam
[handelsnaam],
vestigingsplaats: [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder van Boeder Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [naam] (eigenaar).
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 19 augustus 2022, met bijlagen;
  • het e-mailbericht van 20 september 2022 van de zijde van [gedaagde], met bijlagen;
  • de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de brief van 20 oktober 2022 van de zijde van [eiseres], met bijlage.
1.2.
Op 30 november 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met [eiseres], de gemachtigde van de zijde van [eiseres] en [naam] (eigenaar van [gedaagde]) besproken.

2..De feiten

2.1.
[eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] op verschillende adressen vloeren geëgaliseerd.
2.2.
[eiseres] heeft hiervoor bij facturen van 15 maart 2022, 11 april 2022 en 24 april 2022 een bedrag van in totaal € 2.288,00 bij [gedaagde] in rekening gebracht.
2.3.
Bij e-mailbericht van 23 mei 2022 schreef [gedaagde] aan [eiseres], voor zover in deze procedure van belang, het volgende:
(…) “
Met u hebben wij afspraken gemaakt om in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden uit te voeren bij onze opdrachtgevers. Door verschillende oorzaken die bij ons vraagtekens hebben opgeroepen, heeft u verscheidene keren verstek laten gaan. Uiteindelijk hebben wij extra kosten moeten maken om de werkzaamheden alsnog te laten uitvoeren.
Om deze reden stellen wij u in gebreke en zullen wij u de extra kosten die wij hebben moeten maken aan u doorbelasten. Zodra deze projecten zijn afgerond en de kosten in beeld zijn zullen wij deze kosten aan u factureren en verrekenen met door u ingestuurde facturen.” (…).

3..Het geschil

3.1.
[eiseres] eist samengevat:
  • [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 2.667,78 met handelsrente;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 2.288,00, rente van € 36,58 (berekend tot 19 augustus 2022) en buitengerechtelijke kosten van € 343,20 (exclusief btw).
3.2.
[eiseres] baseert de eis op het volgende. [eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] op meerdere adressen vloeren geëgaliseerd. [eiseres] heeft [gedaagde] hiervoor een drietal facturen toegezonden. Tot op heden heeft [gedaagde] deze facturen niet voldaan. Door de wanbetaling zag [eiseres] zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] meermaals tot betaling aangemaand. De gemaakte kosten van € 343,20 komen op grond van artikel 6:96 lid 6 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) voor rekening van [gedaagde].
3.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. De door [eiseres] uitgevoerde werkzaamheden waren niet van voldoende kwaliteit. [gedaagde] heeft kosten moeten maken om deze werkzaamheden te laten herstellen. [gedaagde] wil deze kosten verrekenen met de vordering van [eiseres].

4..De beoordeling

De hoofdsom
4.1.
Artikel 6:74 BW Pro bepaalt dat de schuldenaar die op welke wijze dan ook tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenis, in beginsel verplicht is de daardoor ontstane schade te vergoeden. Op grond van lid 2 bij dit artikel geldt dat voor zover nakoming van de overeenkomst niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de verplichting tot schadevergoeding pas ontstaat als de schuldenaar in verzuim is. Verzuim treedt pas in, wanneer de schuldenaar (hier: [eiseres]) in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning, waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming van de overeenkomst wordt gesteld en nakoming binnen die termijn uitblijft (artikel 6:82 lid 1 BW Pro). Daarnaast zijn er situaties waarin verzuim zonder ingebrekestelling intreedt (artikel 6:83 BW Pro).
4.2.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] door middel van het hierboven genoemde e-mailbericht van 23 mei 2022 in gebreke is gesteld, zodat [eiseres] in verzuim is geraakt. Er is naar het oordeel van de kantonrechter echter geen sprake van verzuim van [eiseres] gelet op het volgende. [gedaagde] heeft [eiseres] in het e-mailbericht van 23 mei 2022 geen redelijke termijn gesteld voor nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] heeft bovendien niet gesteld, en ook is niet gebleken, dat [eiseres] op grond van één van de in artikel 6:83 BW Pro genoemde gronden zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Van een verplichting tot schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW Pro kan dan ook geen sprake zijn. Alleen al op grond hiervan kan het beroep op verrekening door [gedaagde] niet slagen.
4.3.
De conclusie is dat [gedaagde] geen beroep kan doen op verrekening van haar gestelde schade met de facturen van [eiseres], zodat [gedaagde] de facturen van [eiseres] moet betalen. Het openstaande factuurbedrag van € 2.288,00 zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten en handelsrente
4.4.
De buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 343,20 (exclusief btw) worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. De over de hoofdsom vervallen en nog te vervallen wettelijke handelsrente over de hoofdsom is toewijsbaar, omdat uit de stellingen van [eiseres] volgt dat dit moet worden betaald en [gedaagde] deze stellingen niet heeft betwist. De gevorderde rente op rente is in strijd met de desbetreffende wettelijke bepaling en daarom niet voor toewijzing vatbaar. Ook de gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] deze kosten al aan haar gemachtigde heeft betaald.
Proceskosten
4.5.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres] tot vandaag vast op € 108,41 aan dagvaardingskosten, € 487,00 aan griffierecht en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 218,00 tarief). Dit is in totaal € 1.031,41. Voor kosten die [eiseres] maakt na dit vonnis moet [gedaagde] een bedrag betalen van € 109,00 (1/2 punt x € 218,00 tarief met een maximum € 124,00). Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van dit vonnis. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5..De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.667,78 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.288,00 vanaf 19 augustus 2022 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiseres] tot vandaag vastgesteld op € 1.031,41;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.
54214