ECLI:NL:RBROT:2023:3383

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
21 april 2023
Zaaknummer
10342830
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628a BWArt. 7:629 BWArt. 7:625 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering en wettelijke verhoging wegens niet-betaald loon

De werknemer is sinds 19 februari 2018 in dienst als koerier tegen een bruto uurloon van €11,18, met toepassing van de cao beroepsgoederenvervoer. Hij viel op 13 juni 2022 ziek uit en ontving over december 2022 en januari 2023 geen salaris. De werknemer vordert in kort geding betaling van achterstallig loon, loon vanaf februari 2023, wettelijke verhoging, incassokosten en rente.

De werkgever verschijnt niet op de zitting, waardoor verstek wordt verleend. De kantonrechter stelt vast dat de loonvordering gegrond is, mede op basis van artikel 7:628a lid 5 BW dat de vaste arbeidsomvang bepaalt. De loonvordering wordt begroot op €1.342,74 bruto per maand, met toepassing van de cao en wettelijke bepalingen.

De loonbetaling wordt toegewezen voor december 2022, januari 2023 en februari 2023, inclusief 8% vakantietoeslag en een wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro. De buitengerechtelijke incassokosten van €560,05 worden eveneens toegewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen over het loon en de verhoging, maar niet over de incassokosten. De proceskosten worden vastgesteld op €615,00 en worden ten laste van de werkgever gebracht. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het spoedeisend belang van de werknemer.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, incassokosten en rente, met verstek verleend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10342830 \ VV EXPL 23-80
datum uitspraak: 21 maart 2023
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M. Booij,
tegen
[gedaagde01], die handelt onder de naam
[handelsnaam01],
woonplaats: [woonplaats02] , gemeente [gemeente01] ,
gedaagde,
niet verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 3 maart 2023, met bijlagen.
1.2.
Op 14 maart 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: de heer [eiser01] , zijn partner en tolk mevrouw [naam01] en hun zoon de heer [naam02] , bijgestaan door mr. M. Booij als gemachtigde. Namens [gedaagde01] was niemand aanwezig. [eiser01] is in de gelegenheid gesteld zijn stellingen nader toe te lichten. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[eiser01] is op basis van een arbeidsovereenkomst met ingang van 19 februari 2018 als koerier in dienst van [gedaagde01] tegen een salaris van € 11,18 bruto per uur, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
2.2.
In de arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
11.CAO
Op deze arbeidsovereenkomst is het Cao beroepsvervoer goederen van toepassing.”
2.3.
De Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: ‘de cao’) luidt, voor zover van belang, als volgt (versie 1 januari 2017 – 1 januari 2020):
Artikel 16
Loon bij arbeidsongeschiktheid
[…]
2.
Indien de werknemer arbeidsongeschikt is, ontvangt hij een aanvulling op de wettelijke loondoorbetalingsverplichting van artikel 7:629 BW Pro tot 100%, […]”
2.4.
Op salarisspecificaties van [eiser01] is vermeld dat zijn brutoloon in de maanden april, mei, juni en augustus 2022 € 1.342,74 bedroeg.
2.5.
Op 13 juni 2022 is [eiser01] ziek uitgevallen.
2.6.
[eiser01] heeft over de maanden december 2022 en januari 2023 geen salaris ontvangen van [gedaagde01] .

3.Het geschil

3.1.
[eiser01] eist samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde01] te veroordelen aan hem te betalen € 2.685,48 bruto aan achterstallig loon over de maanden december 2022 en januari 2023, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag;
II. [gedaagde01] te veroordelen tot betaling van € 1.342,74 bruto per maand vanaf 1 februari 2023 tot er een rechtsgeldig einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst;
III. [gedaagde01] te veroordelen tot betaling van de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:626 BW Pro (waarschijnlijk is bedoeld: 7:625 BW) over het reeds verschuldigde salaris op het moment van toewijzen van de loonvordering;
IV. [gedaagde01] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten zijnde een bedrag van € 560,05 bij toewijzing van het onder I, II en III gevorderde;
V. [gedaagde01] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het onder I, II, III en IV gevorderde;
VI. [gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.2.
[eiser01] baseert de eis op het volgende. Het recht op loondoorbetaling van 100% tijdens ziekte vloeit voort uit artikel 7:629 BW Pro en artikel 16 van Pro de cao. In 2022 ontving [eiser01] een maandloon van € 1.342,74 bruto, gebaseerd op 94,35 uren. [gedaagde01] had dit moeten aanbieden als vaste arbeidsomvang op grond van artikel 7:628a lid 5 BW. Nu [gedaagde01] dit niet heeft gedaan, heeft [eiser01] op grond van artikel 7:628a lid 8 BW recht op loon over de maanden december 2022 en januari 2023. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering; [eiser01] heeft momenteel geen inkomsten om in de kosten van zijn bestaan te voorzien. De buitengerechtelijke incassokosten zijn kosten die op grond van artikel 6:96 lid 1 sub c BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen omdat [gedaagde01] heeft nagelaten het salaris tijdig te betalen waardoor [eiser01] een gemachtigde heeft moeten inschakelen.
3.3.
[gedaagde01] is niet verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling

Verstek

4.1.
[eiser01] heeft de originele betekende dagvaarding overgelegd. De kantonrechter heeft geconstateerd dat [gedaagde01] correct is opgeroepen voor de zitting van 14 maart 2023. Omdat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen en er geen vertegenwoordiger of gemachtigde namens [gedaagde01] op de mondelinge behandeling is verschenen, wordt tegen [gedaagde01] verstek verleend.
Spoedeisend belang
4.2.
Uit de aard van de vordering blijkt het spoedeisend belang van [eiser01] en in zoverre is hij ontvankelijk in zijn vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De vorderingen
4.3.
Bij gebreke van een verweer daartegen, moet in rechte worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [eiser01] . Aannemelijk is dan dat op grond van het door [eiser01] gestelde het gevorderde achterstallige loon over de maanden december 2022 en januari 2023, dat op de voet van artikel 7:628a lid 5 BW wordt begroot op € 1.342,74 bruto per maand, in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Nu de vorderingen de kantonrechter verder niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen, zullen de vorderingen, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen, worden toegewezen.
4.4.
De gevorderde betaling van een bedrag van € 1.342,74 bruto per maand vanaf 1 februari 2023 zal slechts worden toegewezen met betrekking tot de maand februari 2023, nu tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd dat [eiser01] ook voor die maand geen loon heeft ontvangen. Vanaf de maand maart 2023 betreft dit een toekomstige vordering die nog niet opeisbaar is en waarbij (nog) geen sprake is van verzuim aan de zijde van [gedaagde01] . Er is dan ook geen reden om dit deel (vanaf maart 2023) van de vordering op voorhand toe te wijzen, waarbij uiteraard wel geldt dat voor [gedaagde01] een loonbetalingsverplichting geldt zodra een loonvordering opeisbaar geworden is.
4.5.
De wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro zal worden toegewezen tot het maximum van 50%, aangezien geen gronden zijn gebleken voor matiging van dit percentage. De verhoging wordt toegewezen over de toe te wijzen loonachterstand met betrekking tot de maanden december 2022, januari 2023 en februari 2023.
4.6.
De buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 560,05 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
4.7.
De wettelijke rente over het verschuldigde achterstallige loon en de wettelijke verhoging wordt toegewezen, omdat [eiser01] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser01] deze kosten daadwerkelijk al aan zijn gemachtigde heeft betaald.
Proceskosten
4.8.
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser01] tot vandaag vast op € 86,00 aan griffierecht en € 529,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit is totaal € 615,00. Aangezien [eiser01] op basis van een toevoeging procedeert dienen deze kosten direct aan de gemachtigde van [eiser01] te worden betaald. Voor kosten die [eiser01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 132,00 (1/2 punt x € 264,00). Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.9.
Aangezien [eiser01] momenteel geen inkomsten heeft om in de kosten van zijn bestaan te voorzien, ervaart hij stress vanwege de financiële situatie van hem en zijn familie. Hij heeft er dan ook belang bij dat [gedaagde01] aan de veroordelingen tot betaling voldoet op het moment dat [gedaagde01] dat op basis van dit vonnis moet doen. Daarom wordt dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verleent verstek tegen [gedaagde01] ;
5.2.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 4.028,22 bruto aan achterstallig loon over de maanden december 2022, januari 2023 en februari 2023, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, vervolgens te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50% en ten slotte te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 560,05 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.4.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten die aan de kant van [eiser01] tot vandaag worden vastgesteld op € 615,00, welk bedrag rechtstreeks aan de gemachtigde van [eiser01] dient te worden voldaan;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
48637