ECLI:NL:RBROT:2023:3392

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 april 2023
Publicatiedatum
21 april 2023
Zaaknummer
10421501
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:224 BWArt. 7:225 BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:119 BWArt. 21.1 algemene huurvoorwaarden
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming en betaling huurachterstand wegens niet-lege oplevering en niet-bewoning van huurwoningen

Woonstad Rotterdam heeft in kort geding gevorderd dat gedaagde sub 1 en de overige gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming van twee huurwoningen en betaling van achterstallige huur en buitengerechtelijke kosten. De huurovereenkomst van de eerste woning is opgezegd, maar gedaagde sub 1 is in gebreke gebleven met de lege oplevering, waardoor zij de woning onrechtmatig onder zich houdt. Tevens verblijven gedaagden sub 2 en 3 zonder toestemming in deze woning.

Daarnaast huurt gedaagde sub 1 een tweede woning die zij sinds december 2022 niet meer zelf bewoont, omdat zij gedetineerd is in het buitenland. Dit vormt een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. De huurachterstand loopt op sinds maart 2023.

Gedaagden zijn niet verschenen en hebben geen verweer gevoerd, zodat verstek is verleend. De kantonrechter oordeelt dat Woonstad een spoedeisend belang heeft en dat de vorderingen gegrond zijn. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen na betekening van het vonnis. Gedaagden worden tevens veroordeeld tot betaling van de huurachterstanden, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming van twee woningen binnen veertien dagen en betaling van huurachterstanden, rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10421501 \ VV EXPL 23-152
datum uitspraak: 19 april 2023
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. R. van der Hoeff,
tegen

1..[gedaagde01] ,

2. [gedaagde02],
3. personen die verblijven en/of aanwezig zijn te ( [postcode01] ) [plaats01] , aan het adres [adres01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
Eiseres wordt hierna ‘Woonstad’ genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 4 april 2023, met bijlagen.
1.2.
Op 14 april 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam01] , verhuurmakelaar bij Woonstad, bijgestaan door mr. R. van der Hoeff als gemachtigde. Aan de zijde van gedaagden was niemand aanwezig.

2..Het geschil

2.1.
Woonstad eist samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:
met betrekking tot de woning aan de [adres01] te [plaats01]
gedaagden te veroordelen om de woning binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen;
gedaagde sub 1 te veroordelen tot betaling aan Woonstad van € 2.038,34, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
gedaagde sub 1 te veroordelen tot betaling aan Woonstad van € 510,77 per maand vanaf april 2023 tot en met de maand waarin Woonstad weer de beschikking heeft over de woning;
met betrekking tot de woning aan de [adres02]
gedaagde sub 1 te veroordelen om de woning binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen;
gedaagde sub 1 te veroordelen tot betaling aan Woonstad van € 699,92, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
gedaagde sub 1 te veroordelen tot betaling aan Woonstad van € 604,96 per maand vanaf april 2023 tot en met de maand waarin Woonstad weer de beschikking heeft over de woning;
en voor het overige
gedaagde sub 1 te veroordelen tot betaling aan Woonstad van € 462,50 aan buitengerechtelijke kosten;
gedaagden hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten.
2.2.
Woonstad baseert de eis – kort gezegd – op het volgende.
2.2.1.
Gedaagde sub 1 huurde van 4 oktober 2017 tot en met 28 december 2022 de woning aan de [adres01] van Woonstad. De huurovereenkomst voor deze woning heeft gedaagde sub 1 eind november 2022 opgezegd, maar zij is – in strijd met haar verplichting op grond van artikel 7:224 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) – in gebreke gebleven met de lege oplevering van de woning. Zij gedraagt zich onrechtmatig jegens Woonstad door de woning zonder recht of titel onder zich te houden. Ook gedaagden sub 2 en 3 gedragen zich jegens Woonstad onrechtmatig door zonder toestemming de woning te bewonen. Op die gronden vordert Woonstad ontruiming. Op grond van artikel 7:225 BW Pro is gedaagde sub 1 een schadevergoeding verschuldigd gelijk aan de huurprijs over de periode dat zij het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt. De (huur)achterstand tot en met maart 2023 bedraagt € 2.038,34.
2.2.2.
Gedaagde sub 1 huurt de woning aan de [adres02] van Woonstad, maar bewoont deze woning – in strijd met haar plicht op grond van de algemene huurvoorwaarden – in ieder geval vanaf 23 december 2022 niet meer. Zij is momenteel gedetineerd in het buitenland en het is niet waarschijnlijk dat zij binnen afzienbare tijd weer in de woning zal terugkeren. Het niet hebben van haar hoofdverblijf in de woning is een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Daar komt bij dat sinds maart 2023 de huurachterstand maandelijks oploopt. Gelet hierop vordert Woonstad de ontruiming en betaling van een bedrag gelijk aan de huur(achterstand).
2.2.3.
Omdat gedaagde sub 1 geen gehoor heeft gegeven aan de herhaalde verzoeken van Woonstad, heeft Woonstad buitengerechtelijke kosten moeten maken die gedaagde sub 1 op basis van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro en artikel 21.1 van de algemene huurvoorwaarden verschuldigd is.
2.3.
Gedaagden hebben geen verweer gevoerd.

3..De beoordeling

3.1.
Gedaagden zijn op 14 april 2023 niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit de dagvaarding en uit de publicatie in de Staatscourant is gebleken dat zij correct voor de zitting zijn opgeroepen. Tegen gedaagden wordt daarom verstek verleend.
3.2.
Voldoende is gebleken dat Woonstad een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vorderingen.
3.3.
Bij gebreke aan een verweer daartegen gaat de kantonrechter in rechte uit van de juistheid van de – met stukken onderbouwde – stellingen van Woonstad. De vorderingen komen de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en zullen dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn op 14 dagen na de betekening van dit vonnis wordt bepaald. De kantonrechter overweegt daarbij dat de minderjarige kinderen van gedaagde sub 1 inmiddels uit huis zijn geplaatst en dat er in dat opzicht geen sprake is van een woonbelang.
3.4.
Gedaagden krijgen ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van Woonstad tot vandaag vast op € 130,57 aan dagvaardingskosten, € 128,00 aan griffierecht en € 529,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit is totaal € 787,57. Voor kosten die Woonstad maakt na deze uitspraak moeten gedaagden een bedrag betalen van
€ 99,50 (1/2 punt x € 199,00). Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).
3.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

4..De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt gedaagden om de woning te ( [postcode01] ) [plaats01] aan de [adres01] binnen drie veertien dagen na betekening van dit vonnis, met alle daarin zich bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen;
4.2.
veroordeelt gedaagde sub 1 tot betaling aan Woonstad van € 2.038,34, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt gedaagde sub 1 tot betaling aan Woonstad van € 510,77 per maand vanaf april 2023 tot en met de maand waarin Woonstad weer de beschikking over de woning aan de [adres01] te [plaats01] heeft;
4.4.
veroordeelt gedaagde sub 1 om de woning te ( [postcode02] ) [plaats01] aan de [adres02] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met alle daarin zich bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen;
4.5.
veroordeelt gedaagde sub 1 tot betaling aan Woonstad van € 699,92, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
4.6.
veroordeelt gedaagde sub 1 tot betaling aan Woonstad van € 704,96 per maand vanaf april 2023 tot en met de maand waarin Woonstad weer de beschikking over de woning aan de [adres02] te [plaats01] heeft;
4.7.
veroordeelt gedaagde sub 1 tot betaling aan Woonstad van € 462,50 aan buitengerechtelijke kosten;
4.8.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten die aan de kant van Woonstad tot vandaag worden vastgesteld op € 787,57;
4.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
48637