De huurder heeft van februari 2020 tot februari 2022 een woning gehuurd en bij aanvang een waarborgsom van €1.515,00 betaald. Bij het einde van de huur heeft de verhuurder slechts €648,22 terugbetaald, terwijl de huurder vordert dat het restant van €781,76 wordt terugbetaald. De huurder eist daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
De verhuurder stelt dat zij €1.130,00 heeft terugbetaald en €385,00 heeft ingehouden voor schade aan de woning. Tevens vordert zij vergoeding van huurderderving over vijftien dagen omdat de woning pas later schoon werd opgeleverd en kosten vanwege het wijzigen van een retourvlucht.
De kantonrechter oordeelt dat slechts €648,22 daadwerkelijk aan de huurder is terugbetaald en dat de verhuurder geen beschrijving van de staat van de woning bij aanvang heeft overgelegd. Hierdoor wordt aangenomen dat de woning in dezelfde staat is ontvangen als bij het einde van de huur. Slechts €85,02 aan schoonmaakkosten voor de keuken mocht worden ingehouden. De overige vorderingen van de verhuurder worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van €781,76 aan de huurder en de proceskosten. De vordering in reconventie wordt afgewezen.