Verzoeker, met de Nederlandse en Turkse nationaliteit, is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf. Naar aanleiding hiervan is de staatssecretaris voornemens het Nederlanderschap van verzoeker in te trekken en een terugkeerbesluit met inreisverbod op te leggen. Verzoeker vroeg om aanhouding van de besluitvorming totdat hij afstand had gedaan van zijn Turkse nationaliteit, wat hij in gang heeft gezet maar nog niet heeft afgerond.
De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang van verzoeker, omdat het definitieve besluit over intrekking binnen twee weken wordt verwacht, terwijl het afstand doen van de Turkse nationaliteit nog maanden kan duren. De rechtbank weegt het belang van verzoeker af tegen het belang van de staatssecretaris bij snelle besluitvorming.
De voorzieningenrechter oordeelt dat toewijzing van het verzoek zou leiden tot een onomkeerbare situatie, waarbij verzoeker na afstand van de Turkse nationaliteit alleen nog de Nederlandse nationaliteit zou bezitten en intrekking daarvan niet meer mogelijk is. Daarom weegt het belang van de staatssecretaris zwaarder. Verzoeker kan tegen het definitieve besluit bezwaar maken en eventueel opnieuw een voorlopige voorziening vragen.
De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalt dat de staatssecretaris niet hoeft te wachten met het nemen van het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.