ECLI:NL:RBROT:2023:3973
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzet tegen buiten-zittinguitspraak over handhavingsverzoek parkeer- en standplaatsenoverlast
Geopposeerde verzocht op 29 mei 2022 om controle en passende maatregelen tegen overlast veroorzaakt door te veel ingenomen standplaatsen en parkeeroverlast bij een camping. Opposant reageerde per e-mail op 1 juni 2022 met een mededeling dat geen formele overtredingen waren geconstateerd en dat de politie ter plaatse was geweest. Geopposeerde stelde beroep in tegen het uitblijven van een besluit, waarop de rechtbank op 7 december 2022 oordeelde dat opposant alsnog moest beslissen. Tevens verklaarde de rechtbank het bezwaar tegen de e-mail niet-ontvankelijk omdat het geen Awb-besluit betrof.
Opposant stelde verzet in tegen beide uitspraken en voerde aan dat het verzoek niet concreet genoeg was, dat het verzoek als melding moest worden behandeld en dat de e-mail van 1 juni 2022 een tijdige beslissing vormde. De verzetrechter beoordeelde of de buiten-zittinguitspraak terecht was gedaan zonder zitting en of het verzet gegrond was.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek van geopposeerde voldoende concreet was, met duidelijke beschrijving van de activiteiten, locatie en tijdstip, en gericht op het treffen van passende maatregelen. Het feit dat het verzoek niet expliciet als handhavingsverzoek was aangeduid en niet was ondertekend, leidde niet tot twijfel over de uitspraak. De e-mail van opposant was geen besluit op grond van de Awb omdat het niet ondubbelzinnig op het handhavingsverzoek inging.
De verzetrechter concludeerde dat het verzet ongegrond is en de buiten-zittinguitspraak in stand blijft. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet van opposant is ongegrond verklaard en de buiten-zittinguitspraak blijft in stand.