Eiseressen, non-gouvernementele organisaties, verzochten de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking om openbaarmaking van documenten over het strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke corruptie bij de aankoop van het olieveld OPL245 door Shell. De minister besloot gedeeltelijk openbaar te maken en deels te weigeren op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), met name vanwege belangen bij opsporing en persoonlijke beleidsopvattingen.
Eiseressen stelden dat de zoekslag onvoldoende was en dat meer documenten aanwezig moesten zijn, waaronder e-mails en informatie over gesprekken met parlementariërs. De rechtbank oordeelde dat de minister een zorgvuldig en voldoende onderzoek had verricht en dat de niet openbaar gemaakte passages terecht vielen onder de weigeringsgronden van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen.
De rechtbank verwierp het betoog dat documenten over een integriteitsonderzoek en arbeidsrechtelijk conflict met een ambassadeur onder het verzoek vielen, omdat deze niet relevant waren voor het strafrechtelijk onderzoek. Ook werd bevestigd dat de minister niet verplicht was om persoonlijke beleidsopvattingen integraal openbaar te maken of in geanonimiseerde vorm te verstrekken.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af. De uitspraak bevestigt de reikwijdte van de Wob en de toepassing van weigeringsgronden ter bescherming van interne beraadslaging en persoonlijke beleidsopvattingen.