Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan niet met een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan of met toepassing van de kruimelgevallenregeling kan worden vergund. Het college heeft daarom beoordeeld of een buitenplanse afwijking mogelijk is. Bij de voorbereiding van het bestreden besluit is daarom alsnog de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd.
Het beroep richt zich alleen tegen het bestreden besluit van 3 april 2020. Ter zitting heeft het college het betoog dat [eiser02] en [eiser03] in het beroep daartegen niet ontvankelijk moeten worden verklaard, ingetrokken.
Het college heeft in dit geval beoordeeld of op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3°, een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan kan worden verleend. Daarvoor is vereist dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Het college heeft bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte. De rechtbank toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.
Voor [adres02] is bij besluit van 7 maart 2019 een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van 10.800 m2 tuinbouwkas als caravanstalling. Het college heeft toen overwogen dat er vanuit ruimtelijk oogpunt geen bezwaar bestaat tegen afwijking van het bestemmingsplan en dat de gebruiksverandering zich verdraagt met provinciaal beleid. Dat de provinciale Omgevingsverordening op 7 maart 2019 nog niet in werking was getreden, betekent volgens eisers niet dat geen sprake is van gelijke gevallen. Verder zijn eisers van mening dat het feit dat het bij [adres02] om het gebruik van een bestaande kas ging en op hun eigen perceel om nieuwbouw geen reden is om het gelijkheidsbeginsel niet toe te passen. De omgevingsvergunning van 7 maart 2019 heeft volgens het dictum van het besluit namelijk ook betrekking op de activiteit bouwen. Bovendien is de inbreuk op het bestemmingsplan daar veel groter, omdat 10.800 m2 caravanstalling is vergund. Eisers stellen verder dat bij besluit van 26 juni 2020 voor [adres02] ook nog een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend vanwege het wijzigen van de brandcompartimentering.
In de eerste plaats betogen zij dat geen sprake is van aanpassen, maar van inpassen als bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, onder a, van de Omgevingsverordening. Volgens eisers is er geen wijziging op structuurniveau. De aangevraagde nieuwe caravanstalling van 2.000 m2 zal namelijk worden gerealiseerd op een gedeelte van een bestaande kavel en valt in het niet ten opzichte van de omringende veel grotere kassen met vergunde en positief bestemde caravanstallingen. De ruimtelijke impact op de directe omgeving is zo goed als nihil.
Voor zover wel sprake is van aanpassen als bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, onder b, van de Omgevingsverordening, stellen eisers dat het bouwplan vanwege de ingebouwde ligging zorgvuldig wordt ingebed in de omgeving, waar al meerdere caravanstallingen aanwezig zijn. Bovendien betogen eisers dat het richtpunt voor verspreide kassen niet van toepassing is op de projectlocatie. De Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening bepalen dit volgens hen niet. Uit de digitaal te raadplegen kaarten van de vier lagen bij de kwaliteitskaart blijkt volgens eisers niet dat voor de projectlocatie het richtpunt voor verspreide kassen geldt. Volgens eisers heeft het college in zijn reactie van 22 december 2022 erkend dat het provinciale beleid voor solitaire glastuinbouw op de projectlocatie voor de gemeente niet te achterhalen is via www.ruimtelijkeplannen.nl en de digitale kaart van de provincie Zuid-Holland. Het richtpunt voor verspreide kassen staat volgens eisers dan ook niet in de weg aan verlening van de omgevingsvergunning. Voor zover het richtpunt toch van toepassing zou zijn, stellen eisers dat sanering alleen betrekking kan hebben op al bestaande tuinbouwkassen.
Schadevergoeding
Zoals onder 4 is vermeld, heeft het college het bezwaarschrift van eisers voor zover het van rechtswege mede is gericht tegen het bestreden besluit van 3 april 2020 doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift. De rechtbank beschouwt de datum van doorzending door het college, 6 april 2020, als de datum waarop beroep is ingesteld.
De rechtbank ziet, gelet op wat onder 15 tot en met 15.7 is overwogen, geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen reden om zelf een beslissing over de gevraagde omgevingsvergunning te nemen, onder meer omdat uit het bestreden besluit blijkt dat het college de aanvraag nog niet op een juiste wijze aan alle criteria uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo heeft getoetst. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat te verwachten is dat het onderzoek dat nodig is om het gebrek te herstellen, inclusief een eventueel verzoek aan gedeputeerde staten om een verklaring van geen bedenkingen, lang kan duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond.
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eisers;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eisers.
(…)
(…)
a. het bouwen van een bouwwerk,
Besluit omgevingsrechtArtikel 3.1.6 (…)2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
(…)
(…)
(…)