De rechtbank Rotterdam behandelde op 6 april 2023 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie in de periode van oktober 2019 tot februari 2020. De officier van justitie vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen reden was voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Het bewijs bestond uit DNA-sporen van verdachte op het wapen en patroonmagazijn dat in een kelderbox was aangetroffen. Verdachte verklaarde dat hij eind 2019 een vuurwapen had vastgehouden en uit elkaar had gehaald, wat mogelijk het aangetroffen wapen betrof.
De rechtbank stelde vast dat verdachte niet aanwezig was in de kelderruimte waar het wapen werd gevonden en dat er geen relatie was tussen hem en de andere mannen die daar werden aangehouden. Alleen het DNA-materiaal was onvoldoende om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het wapen en de munitie voorhanden had. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.
Verder oordeelde de rechtbank dat de inbeslaggenomen telefoons teruggegeven moesten worden aan de rechthebbende. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken in een openbare zitting.