Op 4 april 2022 vond een confrontatie plaats tussen verdachte en aangeefster in de studio van verdachte. Aangeefster verklaarde dat verdachte haar met geweld had aangerand en mishandeld. De verdachte ontkende dit en stelde dat het letsel het gevolg was van een val onder een zware stoel.
De officier van justitie vorderde vrijspraak voor poging zware mishandeling en bewezenverklaring van aanranding en mishandeling. De rechtbank oordeelde dat het bewijs voor poging zware mishandeling niet overtuigend was en sprak verdachte daarvan vrij zonder nadere motivering.
Voor aanranding en mishandeling vond de rechtbank dat de verklaring van de moeder van aangeefster slechts beperkt steunbewijs bood, omdat deze grotendeels gebaseerd was op wat aangeefster had verteld. Het letsel sloot beter aan bij de verklaring van verdachte. Er was geen ander objectief bewijs dat de tenlastelegging ondersteunde.
De rechtbank concludeerde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte de aanranding en de mishandeling zoals omschreven had gepleegd. Daarom sprak zij verdachte vrij van deze feiten.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de kosten van de verdediging.