Eisers hebben het appartementsrecht van een bedrijfsruimte gekocht die verhuurd was aan [gedaagde01]. Er ontstond discussie over de rechtsgeldigheid van een indeplaatsstelling waarbij [gedaagde02] zou zijn getreden in de plaats van [gedaagde01]. De kantonrechter oordeelde in een eerder vonnis dat [gedaagde01] de huurster blijft, omdat de indeplaatsstelling niet rechtsgeldig was ten opzichte van eisers.
Na het eerdere vonnis bleef [gedaagde01] huur verschuldigd en is de huurachterstand verder opgelopen. Tevens werd de exploitatieverplichting niet nagekomen, terwijl het pand al meer dan twee jaar niet wordt gebruikt. Eisers vorderen ontruiming, betaling van huurachterstand, vergoeding buitengerechtelijke kosten en maandelijkse vergoeding na ontruiming.
De kantonrechter stelt dat het oordeel dat [gedaagde01] huurster is niet berust op een feitelijke of juridische misslag. De huurovereenkomst zal naar verwachting in de bodemprocedure ontbonden worden. Gezien de belangenafweging is het spoedeisend belang van eisers voldoende om ontruiming toe te wijzen binnen 14 dagen. De vorderingen tot betaling van huur en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen wegens reeds bestaande titels en onvoldoende onderbouwing. Eisers worden niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tegen [gedaagde02].