ECLI:NL:RBROT:2023:4517

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
1 juni 2023
Zaaknummer
ROT 21/5682
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar parkeerbelasting en terugverwijzing

Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door verweerder. Het bezwaar van eiser werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging. Na een tweede niet-ontvankelijkverklaring stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat een tweede uitspraak op bezwaar niet mogelijk is en dat het beroep gegrond moet worden verklaard tegen de eerste uitspraak op bezwaar. De rechtbank vond dat het bezwaar van eiser wel degelijk een concrete bezwaargrond bevatte, namelijk het betwisten van het brondocument, en dat verweerder ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard.

Omdat de rechtbank zelf niet kan voorzien in de zaak, vernietigt zij de eerste uitspraak op bezwaar en verwijst de zaak terug naar verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en wijst de zaak terug naar verweerder voor een nieuwe beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/5682

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen

[naam eiser], uit [plaatsnaam], eiser,

(gemachtigde: mr. S. Arakelyan),
en

de teamleider Belastingen van de gemeente Schiedam, verweerder,

(gemachtigde: mr. Annette Smits).

Inleiding

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 23 april 2021 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 66,10, bestaande uit
€ 1,90 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 64,20 aan kosten naheffing (aanslagnummer 100421094134000).
Bij uitspraak op bezwaar van 10 juni 2021 (de eerste uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beschikking en de aanslag niet-ontvankelijk verklaard.
Bij tweede uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2021 (de tweede uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiser wederom niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen de tweede uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2023. Namens eiser is mr. S. el Kaddouri verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid in beroep
1. De rechtbank toetst eerst (ambtshalve) de ontvankelijkheid van het beroep.
2.1.
Volgens het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516 brengt het stelsel van wettelijke bepalingen dat het beroep in belastingzaken regelt, mee dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Dit betekent naar het oordeel van de Hoge Raad dat een nadere beslissing die de inspecteur – zonder tussenkomst van de rechter – neemt met betrekking tot de belastingaanslag waartegen bezwaar is gemaakt, niet is aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep kan worden ingesteld.
2.2.
In onderhavige zaak heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan op 10 juni 2021. Het bezwaar van eiser is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een geldige machtiging. Daarmee is de bezwaarfase tot een einde gekomen. Een tweede uitspraak op bezwaar is in het wettelijke stelsel niet mogelijk. [1] Naar het oordeel van de rechtbank is het ook niet mogelijk een uitspraak op bezwaar in te trekken. Dit impliceert dat de (eerste) uitspraak op bezwaar van 10 juni 2021 nog bestaat en dat aan de tweede uitspraak op bezwaar geen rechtsgevolg toekomt.
2.3.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het beroep van eiser van 9 november 2021 te worden aangemerkt als gericht tegen deze eerste uitspraak op bezwaar en is de termijnoverschrijding verschoonbaar. [2] In dit geval doet zich namelijk een situatie voor dat eiser aan een uitlating van het bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn beroepschrift nog na afloop van de wettelijke beroepstermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. Daartoe is vereist dat de belanghebbende van die uitlating kennis neemt binnen de wettelijke beroepstermijn.
2.4.
De eerste uitspraak op bezwaar van 10 juni 2021, waarbij het door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, heeft te gelden als de uitspraak op bewaar waartegen beroep openstond gedurende zes weken. Aan de tweede uitspraak op bezwaar mocht eiser – mede gelet op de daarin opgenomen rechtsmiddelenverwijzing met een nieuwe termijn van zes weken – het vertrouwen ontlenen dat hij tot zes weken na de toezending van die uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank kon instellen. Onder deze omstandigheid kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest, aangezien zijn beroepschrift binnen de laatstgemelde termijn door de rechtbank is ontvangen.
2.5.
Het beroep van eiser is daarom ontvankelijk. De rechtbank zal het beroep tegen de eerste uitspraak op bezwaar inhoudelijk behandelen.
Ontvankelijkheid in bezwaar
3.1.
Bij uitspraak op bezwaar van 10 juni 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een geldige machtiging. Hierop heeft de gemachtigde van eiser gereageerd dat zij vaker procedeert tegen verweerder en als advocaat nooit eerder een machtiging heeft hoeven overleggen. Verweerder heeft vervolgens geen machtiging meer verlangd. Omdat verweerder na de uitspraak op bezwaar van standpunt is veranderd, is het beroep gegrond.
3.2.
De rechtbank zal het (eerste) bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal nu beoordelen of de rechtsgevolgen in stand gelaten kunnen worden.
4.1.
Verweerder voert in beroep aan dat eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard in bezwaar. Eiser heeft nooit de bezwaargronden aangevuld, terwijl verweerder hier wel om gevraagd heeft. Daarom voldoet het bezwaar van eiser niet aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Awb. Met in achtneming van artikel 6:6, onder a, van de Awb heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
4.2.
Eiser stelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hij heeft wel degelijk een concrete bezwaargrond aangevoerd. Eiser betwist dat er sprake is van een deugdelijk brondocument.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar. Uit de stukken blijkt dat eiser heeft gevraagd om het brondocument van de naheffingsaanslag en dat eiser hierna aan verweerder vragen heeft gesteld over dit document. De rechtbank is van oordeel dat dit kan worden gezien als een bezwaargrond. In het verweerschrift heeft verweerder ook erkend dat dit een bezwaargrond is, maar stelt zich op het standpunt dat deze is weerlegd. De rechtbank overweegt dat wanneer een grond wordt weerlegd, dit nog niet maakt dat niet-ontvankelijkheid kan volgen vanwege het niet indienen van (nadere) gronden. Dat verweerder heeft gevraagd om de gronden van het bezwaar aan te vullen en dat dit niet is gebeurd, maakt dit niet anders. Omdat er wel een bezwaargrond was aangevoerd, had het op de weg van verweerder gelegen hier inhoudelijk op te beslissen.
5. Gelet op het bovenstaande kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven. Omdat de rechtbank geen mogelijkheid ziet zelf in de zaak te voorzien, wijst de rechtbank de zaak terug naar verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het bepaalde in rechtsoverweging 3.1. is het beroep gegrond. Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de (eerste) uitspraak op bezwaar van 10 juni 2021;
- wijst de zaak terug naar verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.D.F. Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3875.
2.Artikel 6:11 Awb Pro; Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2663.