ECLI:NL:RBROT:2023:4685
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in IOAW-uitkeringszaak na eerdere afwijzing
Verzoeker heeft een aanvraag om een IOAW-uitkering ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen. Tevens werd een voorschot teruggevorderd. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat ongegrond werd verklaard. Tijdens de bezwaarprocedure en later in het beroep verzocht verzoeker om voorlopige voorzieningen, die reeds eerder door de voorzieningenrechter zijn afgewezen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het nieuwe verzoek om een voorlopige voorziening geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat die aanleiding geven om het eerdere oordeel te herzien. Verzoeker betoogt primair dat hij Unieburger is en verblijfsrecht ontleent aan het Unierecht, en subsidiair dat hij als staatloos moet worden beschouwd vanwege discriminatie door Letland. Deze gronden zijn echter reeds beoordeeld en verworpen.
De voorzieningenrechter benadrukt dat de bepalingen in de IOAW dwingend zijn en geen ruimte laten voor belangenafweging. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en ongewijzigd standpunt van het bestuursorgaan.