ECLI:NL:CRVB:2020:2141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaald verzoek om voorlopige voorziening inzake WAZ-uitkering
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandigen (WAZ) vanwege psychische klachten die hem sinds eind 1998 belemmeren in zijn werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees het verzoek af omdat niet kon worden vastgesteld dat verzoeker vanaf augustus 1998 gedurende 52 weken arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij reeds vanaf 1997 leed aan een complexe medische situatie met PTSS. Een eerder verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat concrete medisch-objectieve gegevens ontbraken.
Bij het herhaalde verzoek werden drie brieven van de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar Winterthur ingediend, maar deze bevatten geen nieuwe medische informatie die het standpunt van arbeidsongeschiktheid ondersteunen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het financiële belang van verzoeker wel spoedeisend was, maar dat er geen nieuwe feiten waren die toewijzing van het verzoek rechtvaardigen.
Daarom werd het herhaalde verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het herhaalde verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.