De verdachte werd verdacht van deelname aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS) en het plegen van voorbereidingshandelingen van een terroristisch misdrijf. Zij verbleef van december 2013 tot begin 2019 in verschillende door IS gecontroleerde gebieden in Syrië, waaronder Baghouz, het laatste bolwerk van IS.
De officier van justitie eiste vijf jaar gevangenisstraf wegens bewezenverklaring van deelname aan IS en voorbereidingshandelingen. De rechtbank onderzocht of de verdachte lid was van een gestructureerd samenwerkingsverband en of zij een aandeel had in gedragingen die het terroristisch oogmerk van IS ondersteunden.
Hoewel het verblijf in IS-gebied verdacht was, vond de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte daadwerkelijk deelnam aan IS of voorbereidingshandelingen verrichtte. De verklaringen over wapengebruik en deelname aan gevechtstrainingen waren tegenstrijdig of ontbraken. Ook was er geen bewijs dat de verdachte een gezamenlijke huishouding voerde met een IS-strijder.
De rechtbank concludeerde dat sympathie voor IS of het vertonen van bepaalde symbolen onvoldoende is om deelname aan IS te bewijzen. De verdachte werd integraal vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.