De verdachte werd ervan verdacht deel te nemen aan de terroristische organisaties IJU en DTM door onder meer het verlenen van geldelijke steun. Het hof sprak haar vrij omdat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat zij lid was van het samenwerkingsverband van deze organisaties. Hoewel zij interesse toonde in gewapende strijd en geld overmaakte via tussenpersonen, ontbrak het bewijs dat zij daadwerkelijk tot de organisaties behoorde.
De Advocaat-Generaal stelde dat het hof een onjuiste uitleg gaf aan het begrip deelneming, met name ten aanzien van het verlenen van geldelijke steun. De Hoge Raad bevestigde echter dat ook bij het verlenen van geldelijke steun aan een terroristische organisatie moet worden voldaan aan het vereiste dat de betrokkene lid is van het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in of ondersteuning biedt aan de organisatie.
De Hoge Raad verwierp het beroep van het Openbaar Ministerie en verklaarde het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk omdat zij niet binnen de wettelijke termijn middelen van cassatie had ingediend. Het arrest bevestigt de bestaande jurisprudentie over deelneming aan terroristische organisaties en verduidelijkt dat het verlenen van geldelijke steun geen zelfstandig criterium is voor deelneming zonder lidmaatschap van het samenwerkingsverband.