ECLI:NL:RBROT:2023:4822

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 juni 2023
Publicatiedatum
12 juni 2023
Zaaknummer
C/10/622711 / HA ZA 21-659
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 RvArt. 93a RvArt. 121 lid 1 RvArt. 121 lid 2 RvArt. 140 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentsplitsing en bevoegdheidsvraag in civiele vordering factoringrelatie

In deze civiele procedure vordert Link Engineers Bouw B.V. betaling en schadevergoeding van Svea Finans Nederland B.V. en een andere gedaagde. Svea verzoekt in een incident de procedure te splitsen en zich onbevoegd te verklaren, met verwijzing naar de kantonrechter in Den Haag. De rechtbank overweegt dat de vorderingen tegen beide gedaagden voldoende samenhangen vanwege de factoringrelatie en dat gezamenlijke behandeling doelmatig is.

De rechtbank constateert dat de totaalvordering de bevoegdheid van de kantonrechter overstijgt, zodat verwijzing niet aan de orde is. Svea verschijnt wel, de andere gedaagde niet, tegen wie verstek is verleend. De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het incident tot splitsing af. Svea wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door Svea. Verdere beslissingen worden aangehouden. Het vonnis is gewezen door rechter J.M.J. Arts en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.

Uitkomst: Het incident tot splitsing en onbevoegdverklaring wordt afgewezen en Svea wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/652775 / HA ZA 23-150
Vonnis in incident van 7 juni 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LINK ENGINEERS BOUW B.V.,
gevestigd te Woerden,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. E.M. Hetterscheidt te Utrecht,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SVEA FINANS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Reeuwijk,
eiseres in het incident,
advocaat mr. A.H. Veldink te Utrecht,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
gedaagden in de hoofdzaak.
Partijen worden hierna Link, Svea en [gedaagde sub 2] genoemd. Svea en [gedaagde sub 2] worden hierna samen ook aangeduid als gedaagden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaardingen van 3 en 7 februari 2023, met producties 1 tot en met 18;
  • het herstelexploot van 13 februari 2023;
  • de zitting van 15 februari 2023 te 10:00 uur;
  • de verwijzing naar de rol van 1 maart 2023 voor herstelexploot ten aanzien van Svea;
  • de verwijzing naar de rol van 5 april 2023 te 10:00 uur;
  • de incidentele conclusie tot splitsing en verwijzing ex artikelen 110 lid 2 en 71 lid 2 Rv van Svea, met één productie, genomen op de rol van 12 april 2023;
  • de conclusie van antwoord in het incident van Link.
1.2.
Bij de dagvaarding van 7 februari 2023 zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen de op de zitting van woensdag 15 februari 2023 niet verschenen [gedaagde sub 2] verstek is verleend.
1.3.
Uit het herstelexploot van 13 februari 2023 blijkt dat op 3 februari 2023 een dagvaarding is betekend aan Svea Finans Factoring B.V. Gedagvaard werd tegen de zitting van woensdag 15 februari 2023. In de dagvaarding is niet de juiste naam van gedaagde sub 1 vermeld. Met het herstelexploot is die naam gewijzigd in die van Svea. Daarmee is de naam van gedaagde sub 1 aangepast.
Bij het uitbrengen van het herstelexploot diende de voor dagvaarding voorgeschreven termijn in acht te worden genomen. Dat is niet gebeurd. Het herstelexploot werd uitgebracht op 13 februari 2023 tegen de zitting van 15 februari 2023. Svea is aldaar niet verschenen. In verband daarmee en gelet op het bepaalde in artikel 121 lid 1 Rv Pro is de zaak verwezen naar de rol van 1 maart 2023 voor - wederom - herstelexploot. Aangenomen wordt dat dit exploot niet is uitgebracht. Op grond van artikel 121 lid 2 Rv Pro is vervolgens de roldatum van 5 april 2023 te 10:00 uur bepaald. Svea heeft op de rol van 12 april 2023 haar gemelde incidentele conclusie ingediend en is daarmee in de procedure verschenen. Link heeft vervolgens nog op deze incidentele conclusie geantwoord.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vorderingen in de hoofdzaak

2.1.
Link vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
gedaagden hoofdelijk te veroordelen, zodat voor zover de één volledig heeft betaald ook de ander zal zijn bevrijd, tot (terug)betaling van het totaalbedrag van € 12.312,96 aan Link, te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf het moment van de ontvangen bedragen, binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of dagdeel dat zij/hij in gebreke blijft aan de veroordeling uitvoering te geven;
voor recht te verklaren dat Link schade heeft geleden en dat gedaagden een wettelijke verplichting tot schadevergoeding hebben jegens Link (zoals is verzocht onder d tot en met j);
voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 2] jegens Link onrechtmatig heeft gehandeld en dat sprake is van onbehoorlijk bestuur, waarvoor hij aansprakelijk is;
[gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de door Link geleden vermogensschade in de zin van winstderving bij Van Wijnen te begroten op € 8.000,00 (omzet € 17.942,48), dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2022 tot de dag van algehele voldoening;
[gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de door Link geleden winstderving te begroten op € 5.000,00, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2022 tot de dag van algehele voldoening;
[gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van € 1.000,00, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag ten aanzien van imagoschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2022 tot de dag van algehele voldoening;
gedaagden hoofdelijk, zodat voor zover de één volledig heeft betaald ook de ander zal zijn bevrijd, voor het geheel, dan wel Svea en/of [gedaagde sub 2] ieder voor een gedeelte, te veroordelen tot betaling van de door Link geleden vermogensschade in de zin van interne kosten, te begroten op € 7.000,00, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2022 tot de dag van algehele voldoening;
gedaagden hoofdelijk, zodat voor zover de één volledig heeft betaald ook de ander zal zijn bevrijd, voor het geheel, dan wel Svea en/of [gedaagde sub 2] ieder voor een gedeelte, te veroordelen tot betaling van de door Link geleden vermogensschade in de zin van advocaatkosten, te begroten op € 6.302,89, inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2022 tot de dag van algehele voldoening;
subsidiair: gedaagden hoofdelijk, zodat voor zover de één volledig heeft betaald ook de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten volgens BIK vastgesteld op € 1.075,00;
uitsluitend in het geval (één van) gedaagden schadeplichtig is/zijn, maar de hoogte van de schade in dit stadium niet kan worden vastgesteld, gedaagden hoofdelijk, zodat voor zover de één volledig heeft betaald ook de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot vergoeding van de door Link geleden schade op te maken bij staat;
gedaagden hoofdelijk, zodat voor zover de één volledig heeft betaald ook de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de proceskosten, waaronder de werkelijke advocaatkosten ten bedrage van € 6.382,15, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, dan wel de advocaatkosten volgens liquidatietarief, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening en de nakosten.

3.Het geschil in het incident

3.1.
Svea vordert, vóór alle weren, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de procedure tussen Svea en Link en de procedure tussen Link en [gedaagde sub 2] te splitsen en/of zich ten aanzien van Svea onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van en te oordelen over de vorderingen die Link stelt op Svea te hebben, dit geding in de stand waarin het zich bevindt te verwijzen naar (de kantonrechter van) de rechtbank Den Haag (locatie Gouda), en Link te veroordelen in de kosten van het incident, waaronder het salaris van de advocaat van Svea.
3.2.
Link voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Svea in haar vordering, althans tot afwijzing van die vordering, met veroordeling van Svea in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in de hoofdzaak en in het incident

4.1.
[gedaagde sub 2] is, hoewel op behoorlijke wijze gedagvaard tegen de zitting van 15 februari 2023, niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Nu Svea wel is verschenen, wordt conform het bepaalde in artikel 140 lid 3 jo Pro. artikel 140 lid 2 Rv Pro één vonnis gewezen, dat ook ten aanzien van [gedaagde sub 2] als een vonnis op tegenspraak zal gelden.
in het incident
4.2.
In artikel 107 Rv Pro is bepaald dat een rechter die ten aanzien van één van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden relatief bevoegd is, ook ten aanzien van de overige gedaagden relatief bevoegd is, mits tussen de vorderingen tegen deze gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Aan deze voorwaarden is voldaan, waartoe als volgt wordt overwogen.
4.3.
Link heeft in de dagvaarding gesteld dat haar vorderingen op [gedaagde sub 2] hun grondslag vinden in een tussen Link en [gedaagde sub 2] gesloten raamovereenkomst van 24 december 2020. In het kader van die raamovereenkomst hebben Link en [gedaagde sub 2] , zo stelt Link, o.a. op 28 februari 2022 een mondelinge opdrachtovereenkomst gesloten ten behoeve van de uitvoering door [gedaagde sub 2] van werkzaamheden als uitvoerder ten aanzien van het project van 351 appartementen in Delft voor Van Wijnen Dordrecht B.V. Voor de betaling van de in het kader van die opdrachtovereenkomst aan Link verzonden vijf facturen van in totaal
€ 12.312,96, inclusief btw (zie randnummer 14 van de dagvaardingen), maakte [gedaagde sub 2] gebruik van factoring (een vorm van debiteurenfinanciering) en heeft hij zijn vorderingen op Link aan Svea gecedeerd.
Link heeft zich in de dagvaarding op het standpunt gesteld dat [gedaagde sub 2] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de opdrachtovereenkomst en dat hij valse facturen aan Link heeft verstuurd die Svea als cessionaris van [gedaagde sub 2] heeft geïnd van Link. Svea weigert deze betalingen aan Link te retourneren. Daarmee heeft [gedaagde sub 2] , aldus Link, onrechtmatig jegens haar gehandeld en heeft Link, gelet op het bepaalde in artikel 6:203 BW Pro, onverschuldigd aan Svea betaald, dan wel zijn [gedaagde sub 2] of Svea ongerechtvaardigd verrijkt (artikel 6:212 BW Pro). Hoewel de rechtsverhouding tussen Link en [gedaagde sub 2] resp. Link en Svea in enige mate verschilt, doet daaraan niet af dat deze verhoudingen, gelet op de factoringrelatie die tussen [gedaagde sub 2] en Svea bestaat/bestond, ook ineengrijpen. Daarmee is sprake van voldoende nauwe samenhang tussen de vorderingen van Link in de hoofdzaak tegen [gedaagde sub 2] en Svea. Vanuit proceseconomisch oogpunt en ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken, derhalve om redenen van doelmatigheid, verdient het daarom de voorkeur om de vorderingen van Link tegen [gedaagde sub 2] en Svea gezamenlijk te behandelen. De gevorderde splitsing wordt afgewezen.
4.4.
Uit het voorgaande vloeit voort dat deze rechtbank, gelet op de woonplaats van [gedaagde sub 2] , bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak tussen partijen kennis te nemen.
4.5.
In artikel 93 sub a Rv Pro is bepaald dat vorderingen met een beloop van ten hoogste
€ 25.000,00 door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Bij het vaststellen van de hoogte van de vordering moeten ook vorderingen met betrekking tot de tot aan de dagvaarding verschenen rente en buitengerechtelijke kosten worden meegenomen. Verder geldt dat bij beoordeling van de vraag of de kantonrechter op grond van artikel 93 Rv Pro bevoegd is om een zaak te behandelen moet worden uitgegaan van de vorderingen zoals die in de dagvaarding zijn neergelegd. In het kader van een incident als het onderhavige kan dus niet worden vooruitgelopen op een beslissing op een of meer onderdelen van die vorderingen, zoals Svea in haar incidentele conclusie wel doet (vgl. artikel 71 lid 3 Rv Pro). Dat betekent dat de totaalvordering zoals die volgt uit de dagvaarding het bedrag van € 25.000,00 overstijgt en is verwijzing van de zaak naar de kantonrechter (van deze rechtbank) niet aan de orde.
4.6.
Svea wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Link begroot op € 766,00 aan salaris advocaat (1 punt x tarief III).
4.7.
Uit de uitspraak van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853, onder nummer 2.3) leidt de rechtbank af dat in een daartoe strekkend vonnis over de nakosten geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
veroordeelt Svea in de kosten van het incident, aan de zijde van Link tot op heden begroot op € 766,00,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4.
verwijst de hoofdzaak naar de rol van
19 juli 2023voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van Svea,
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.
[1734/3455]