De gemeente Rotterdam ontving meerdere meldingen over mogelijke belangenverstrengeling en twijfel aan de kwaliteiten van eiseres als PGB-vertegenwoordiger. Naar aanleiding hiervan startte de gemeente een rechtmatigheidsonderzoek, waarbij informatie werd opgevraagd bij de FIOD en ING Bank. Uit dit onderzoek bleek dat eiseres tussen 2019 en 2021 ruim €148.000 heeft ontvangen van zorgaanbieders, wat niet juist was verklaard in PGB-plannen.
Na een gesprek met eiseres en haar advocaat, waarin zij erkende de bedragen te hebben ontvangen maar geen nadere toelichting gaf, besloot de gemeente haar voor drie jaar uit te sluiten als PGB-vertegenwoordiger op grond van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2018. Eiseres vorderde in kort geding dat dit besluit werd teruggedraaid en dat een rectificatie werd verstuurd.
De rechtbank oordeelde dat het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, proportioneel en evenredig is, en dat de gemeente in redelijkheid tot haar besluit kon komen. Het ontbreken van een schriftelijke bezwaarprocedure in het besluit deed hieraan niet af. De vorderingen van eiseres werden daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.