Eiseres exploiteert een hotel en kreeg op 9 februari 2022 een waarschuwing preventieve stillegging en een bestuurlijke boete van €33.000,- opgelegd vanwege vermeende overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Dit betrof het niet of niet tijdig verstrekken van juiste urenregistraties van werknemers. Verweerder baseerde zijn besluit op verklaringen van werknemers en een supervisor, waarin werd gesteld dat de overgelegde urenregistraties niet de daadwerkelijk gewerkte uren bevatten.
Eiseres voerde aan dat de verklaringen onvolledig en niet concreet waren, dat de urenlijsten juist de basis vormden voor de loonadministratie en dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de juistheid van de urenregistratie. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet voldoende had aangetoond dat de urenregistraties onjuist waren. De verklaringen waren auditief opgenomen, uitgewerkt en deels in een niet-moedertaal, waardoor de betrouwbaarheid beperkt was. Ook ontbrak nader onderzoek door verweerder.
De rechtbank vernietigde daarom de boete en de waarschuwing preventieve stillegging en herroept de primaire besluiten. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak benadrukt de strenge bewijs- en motiveringseisen bij bestuursrechtelijke sancties met bestraffend karakter.