Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 9 november 2022;
- het antwoord met eis in reconventie (tegeneis);
- het antwoord in reconventie;
- de door partijen overgelegde producties.
Rechtbank Rotterdam
Op 6 april 2022 overleed de ongehuwde overledene, die zijn partner tot enig erfgenaam en executeur had benoemd. De familie, waaronder de jongste zus eiseres, nam het initiatief voor de uitvaart en betaalde de kosten van €7.681,66, terwijl de erfgenaam en executeur werd buitengesloten van de uitvaartplechtigheid.
Eiseres vorderde vergoeding van deze uitvaartkosten van de erfgenaam, stellende dat deze kosten tot de nalatenschap behoren. De erfgenaam verweerde zich met het argument dat de familie niet bevoegd was de uitvaart te regelen en dat zij als executeur de uitvaart exclusief moest regelen.
De rechtbank oordeelde dat het voor de erfgenaam onaanvaardbaar is de uitvaartkosten te dragen, nu de familie het heft in eigen hand nam en de erfgenaam buitensloot. De vordering tot vergoeding van de uitvaartkosten werd afgewezen. Wel werd aan de erfgenaam een immateriële schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens het niet mogen bijwonen van de uitvaart en het ontnemen van een waardig afscheid. De vordering tot vergoeding van schade aan een schuifpui werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs.
Uitkomst: De vordering tot vergoeding van uitvaartkosten wordt afgewezen, maar de erfgenaam krijgt €1.500 smartengeld wegens buitensluiting bij de uitvaart.