De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn grootvader moederszijde. De minderjarige verbleef aanvankelijk bij de moeder, maar vanwege zorgen over huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner en mishandeling van de minderjarige is een spoedmachtiging verleend.
De moeder heeft de veiligheidsafspraken overtreden door de minderjarige toch mee te nemen naar haar partner, wat leidde tot het besluit tot uithuisplaatsing. De moeder erkent fysieke correctie in het verleden, maar ontkent huiselijk geweld. De grootvader biedt een netwerkpleegzorgvoorziening waar de minderjarige veilig kan verblijven.
De kinderrechter oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige en verlengt de machtiging tot 30 maart 2023. In deze periode zal nader onderzoek plaatsvinden naar de opvoedsituatie bij de moeder en haar partner, waarbij openheid en contact tussen moeder en kind essentieel zijn.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten via hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.