De huurovereenkomst tussen de verhuurder en de huurder van een bovenwoning in Rotterdam wordt ontbonden omdat de huurder de woning niet zelf bewoont, maar deze feitelijk door haar zoon wordt gebruikt. De huurder woont inmiddels in een revalidatiecentrum en is niet meer ingeschreven op het adres, wat een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert.
De verhuurder vordert daarnaast betaling van achterstallige huur en een gebruiksvergoeding voor de periode na ontbinding. De huurder en haar zoon betwisten de vordering en eisen medehuurderschap voor de zoon en terugbetaling van teveel betaalde huur. De rechtbank oordeelt dat de zoon geen medehuurder is omdat er geen duurzame gemeenschappelijke huishouding meer is en hij onvoldoende financiële waarborgen biedt.
De rechtbank wijst de vordering tot terugbetaling van teveel betaalde huur af, bevestigt de huurachterstand en veroordeelt de huurder en haar zoon hoofdelijk tot betaling van de achterstallige huur en gebruiksvergoeding. Tevens wordt ontruiming van de woning binnen veertien dagen bevolen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege de problematische huurrelatie en de ongeschikte situatie in de woning.