Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2023:582

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 januari 2023
Publicatiedatum
30 januari 2023
Zaaknummer
10091514 / CV EXPL 22-27820
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 lid 1 sub b Brussel I bis-verordening (nr. 1215/2012)Artikel 18 lid 2 Brussel I bis-verordening (nr. 1215/2012)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mondelinge behandeling gelast in vordering borgstelling kredietovereenkomst

In deze civiele zaak tussen Fiducré NV en een particuliere gedaagde staat een vordering voortvloeiend uit een borgstellingsovereenkomst centraal. Fiducré vordert betaling van een bedrag dat hoger is dan de borgstelling van €18.000,00, hetgeen ter discussie staat. De kantonrechter constateert dat de gedaagde niet heeft gereageerd op de repliek en besluit een mondelinge behandeling te gelasten om de standpunten nader te bespreken.

Tijdens de mondelinge behandeling zullen onder meer de bevoegdheid van de kantonrechter aan de orde komen, waarbij Fiducré haar bevoegdheid baseert op de Brussel I bis-verordening. Ook zal worden besproken welke wettelijke bepalingen van het Belgische recht relevant zijn, de omvang van de vordering, en de stellingen van de gedaagde over een mogelijke zekerheid in de vorm van apparatuur.

De kantonrechter stelt een procedurele planning vast waarbij partijen hun stukken tijdig moeten indienen en hun beschikbaarheid moeten opgeven. Uitstel van de mondelinge behandeling is alleen mogelijk bij gezamenlijk verzoek. Alle verdere beslissingen worden aangehouden totdat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.

Uitkomst: Mondelinge behandeling gelast en verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10091514 / CV EXPL 22-27820
datum uitspraak: 27 januari 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Fiducré NV,
gevestigd in Brussel (België),
eiseres,
gemachtigde: CollactiveBMK Incasso B.V. te Eindhoven,
tegen
[gedaagde01],
wonende in [woonplaats01] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Fiducré’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 6 september 2022, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de repliek.
1.2.
[gedaagde01] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet op de repliek gereageerd.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter wil de zaak met partijen bespreken. Daarbij kunnen partijen de nodige informatie verstrekken. Daartoe wordt een mondelinge behandeling gelast. De mondelinge behandeling wordt ook uitdrukkelijk benut om te bezien of partijen alsnog een minnelijke regeling kunnen treffen.
2.2.
Alle stukken die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in het geding zijn gebracht, moeten door de partij die deze tijdens de mondelinge behandeling ter sprake wil brengen uiterlijk een week voor de zittingsdatum aan de kantonrechter en aan de wederpartij worden toegezonden.
2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zullen in ieder geval de volgende punten met partijen worden besproken:
Fiducré baseert de absolute bevoegdheid van de kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam op artikel 17 lid 1 sub b in Pro samenhang met artikel 18 lid 2 van Pro - kort gezegd - de Brussel I bis-verordening (nr. 1215/2012). Artikel 17 lid 1 van Pro die verordening noemt “overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument”. In dit geval is echter sprake van een overeenkomst gesloten tussen twee professionele partijen (ING België N.V. en Five Stars Carwash), voor welke overeenkomst [gedaagde01] zich borg heeft gesteld. Is Fiducré van mening dat ook dit geval onder artikel 17 lid 1 van Pro de verordening valt? Zo ja, waar baseert Fiducré dat op? Zo nee, waar baseert Fiducré dan de bevoegdheid van de kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam op?
Fiducré stelt dat het Belgisch recht op de tussen ING België N.V. en Five Stars Carwash van toepassing is. Is enige wettelijke bepaling van het Belgisch recht nog van belang voor enige in deze zaak te nemen beslissing? Zo ja, welke wettelijke bepaling dan?
Uit de tussen ING België N.V. en Five Stars Carwash gesloten kredietovereenkomst volgt dat [gedaagde01] zich borg heeft gesteld voor een bedrag van € 18.000,00. In deze zaak eist Fiducré echter een bedrag van ruim € 20.000,00 van [gedaagde01] . Op grond waarvan is Fiducré van mening dat zij meer dan € 18.000,00 van [gedaagde01] kan vorderen?
[gedaagde01] zegt in zijn antwoord op de dagvaarding dat hij zowel in België als in Nederland moet verschijnen. Fiducré is hier niet op ingegaan. Bedoelt [gedaagde01] hiermee te zeggen dat naast deze zaak ook een zaak in België tegen hem aanhangig is gemaakt? Zo ja, hoe verhoudt deze zaak zich dan tot die zaak?
[gedaagde01] zegt in zijn antwoord op de dagvaarding ook dat hij apparatuur als zekerheid heeft gegeven. Fiducré betwist dit. Kan [gedaagde01] onderbouwen dat hij apparatuur als zekerheid heeft gegeven? Zo ja, hoe dan?
Als dat door middel van stukken kan gebeuren, moet [gedaagde01] deze stukken al vóór de mondelinge behandeling aan de kantonrechter en Fiducré toesturen (zie ook hiervoor onder 2.2.).
2.4.
De zaak wordt nu verwezen naar
woensdag 1 februari 2023om partijen de gelegenheid te bieden hun verhinderdata voor de maanden maart, april, mei en juni 2023 op te geven, zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij het vaststellen van een datum en tijd voor de mondelinge behandeling. De kantonrechter zal vervolgens op de beraadrol van maandag 6 februari 2023 een datum en tijdstip voor de mondelinge behandeling bepalen, waarna deze per brief aan partijen worden medegedeeld. Uitstel is niet mogelijk, tenzij beide partijen daar gezamenlijk om verzoeken.
2.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat partijen (in persoon of behoorlijk vertegenwoordigd en desgewenst met hun gemachtigde) op een nader te bepalen datum en tijd moeten verschijnen in het Gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100/125 in Rotterdam, tijdens de mondelinge behandeling van de hierna genoemde kantonrechter;
3.2.
wijst partijen op hetgeen hiervoor over het in het geding brengen van (nadere) stukken is bepaald;
3.3.
stelt partijen in de gelegenheid om
uiterlijk op woensdag 1 februari 2023hun verhinderdata voor de maanden maart, april, mei en juni 2023 op te geven;
3.4.
bepaalt dat de schriftelijke opgaaf uiterlijk op de voormelde dag om 12:00 uur op de griffie moet zijn ontvangen;
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken.
38671