Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam02] en mevrouw [naam03] , beiden werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling betrof betaling van 4,917% van de totale schuldenlast van €34.756,87 aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op een saneringskrediet en de NVVK-norm. Acht van de negen schuldeisers stemden in, maar één schuldeiser, vertegenwoordigd door een advocatenkantoor, weigerde vanwege vermeende schade en huurachterstand.
De rechtbank stelde vast dat de weigering van de schuldeiser niet redelijk was, gezien het grote aandeel van de schuldeiser in de schuldenlast (59,2%) en het feit dat de regeling door een onafhankelijke partij was getoetst en goed gedocumenteerd was. Verzoeker is arbeidsongeschikt en afhankelijk van een participatiewet-uitkering, waardoor de regeling het beste resultaat voor schuldeisers biedt in vergelijking met een wettelijke schuldsaneringsregeling.
De rechtbank beval de schuldeiser om in te stemmen met de regeling, veroordeelde haar in de proceskosten en wees het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af. Het vonnis trad in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en schuldeiser wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling.