De officier van justitie verzocht op 3 april 2023 om voortzetting van een op 2 april 2023 opgelegde crisismaatregel voor betrokkene, die verblijft in een forensische inrichting. Betrokkene vertoonde meerdere keren ernstige fysieke agressie jegens medegevangenen en begeleiding, met een minimaal niveau van zelfzorg en sterke vermagering. De moeder verklaarde dat dit gedrag thuis niet voorkwam, maar de rechtbank verwierp dit verweer vanwege verslechtering tijdens detentie.
De vermoedelijke psychische stoornis betreft een psychotische stoornis met onvoorspelbare agressie, oordeels- en kritiekstoornissen, hyperalertheid, vermagering en eerdere hallucinaties en wanen bij cannabisgebruik. Betrokkene ontkende psychische problemen, maar de rechtbank achtte de diagnose aannemelijk. De ernst van de crisissituatie maakte het wachten op een zorgmachtiging onwenselijk.
De rechtbank achtte verplichte zorg noodzakelijk, waaronder medicatie, medische controles, bewegingsvrijheidsbeperking, insluiting, toezicht, kleding- en lichaamsonderzoek, controle op gedragsbeïnvloedende middelen, beperking van communicatiemiddelen en opname in een instelling. Het verzoek tot toediening van vocht en voeding en bezoekbeperkingen werd afgewezen wegens onvoldoende noodzaak.
De rechtbank stemde in met het verzoek om betrokkene in de huidige forensische inrichting te houden tot overplaatsing naar een reguliere GGZ-instelling mogelijk is, vanwege de ernst en onvoorspelbaarheid van de agressie. De machtiging geldt tot en met 26 april 2023. Betrokkene verzette zich tegen de noodzakelijke zorg, maar er waren geen minder bezwarende alternatieven. De verplichte zorg werd als evenredig en effectief beoordeeld.