ECLI:NL:PHR:2023:775
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opname in forensische instelling bij voortzetting crisismaatregel Wvggz
In deze zaak is aan de orde of op grond van artikel 6:4 lid 4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) een betrokkene kan worden opgenomen in een instelling als bedoeld in de Wet Forensische Zorg (Wfz) bij een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel. De rechtbank Rotterdam had dit toegestaan, ondanks dat de wet deze mogelijkheid alleen expliciet voorziet bij zorgmachtigingen.
De officier van justitie had verzocht om voortzetting van een crisismaatregel en tegelijkertijd om opname in een forensische instelling vanwege de ernst en onvoorspelbaarheid van de agressie van betrokkene. De rechtbank wees dit toe met toepassing van de bepalingen uit de Wvggz en de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt).
In cassatie klaagt betrokkene dat de wet geen grondslag biedt voor opname in een forensische instelling bij voortzetting van een crisismaatregel, alleen bij zorgmachtigingen. De Hoge Raad bevestigt dat de wetgever de opname in een forensische instelling bij voortzetting van een crisismaatregel niet heeft geregeld en dat het oordeel van de rechtbank daarom berust op een onjuiste rechtsopvatting.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor nieuwe beoordeling binnen het juiste wettelijke kader. De uitspraak benadrukt het belang van een wettelijke grondslag voor vrijheidsbeperkende maatregelen en de toepassing van passende waarborgen in het kader van de Wvggz.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor opname in een forensische instelling bij voortzetting van een crisismaatregel.