De Stichting Woonstad Rotterdam heeft de huurovereenkomst met [gedaagde01] ontbonden en geëist dat hij de woning aan de [adres01] te Rotterdam ontruimt. De reden is dat [gedaagde01] sinds augustus/september 2022 in voorlopige hechtenis zit en daardoor niet meer zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Tevens is de woning zonder toestemming in gebruik gegeven aan derden die er prostitutiewerkzaamheden verrichtten, wat strijdig is met de huurovereenkomst.
Tijdens de mondelinge behandeling werd [gedaagde01] telefonisch gehoord, omdat hij niet aanwezig kon zijn vanwege detentie. Woonstad stelde dat [gedaagde01] tekortschiet in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, waaronder het verbod op onderverhuur en het veroorzaken van overlast. [gedaagde01] erkende dat hij de sleutel aan een vriend gaf die misbruik maakte door prostitutie toe te staan, maar stelde dat hij daarna direct actie heeft ondernomen door sloten te vervangen en zijn neef in de woning te laten wonen.
De rechtbank oordeelde dat [gedaagde01] verantwoordelijk is voor het gebruik van de woning en dat het in gebruik geven aan derden zonder toestemming niet is toegestaan. Ook het langdurig ontbreken van hoofdverblijf vanwege detentie is strijdig met de huurovereenkomst. Daarom is de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming gerechtvaardigd. De ontruimingstermijn is vastgesteld op vier weken na het vonnis. De gevorderde betaling van huur vanaf januari 2023 tot ontruiming wordt toegewezen, maar de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. [gedaagde01] wordt veroordeeld in de proceskosten.