ECLI:NL:RBROT:2023:6071

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 juli 2023
Publicatiedatum
11 juli 2023
Zaaknummer
10214541
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BWArt. 3:324 BWArt. 3:316 BWArt. 3:310 BWArt. 6:38 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nakoming echtscheidingsconvenant wegens verjaring

De eiseres vordert betaling van een bedrag van €8.171,- van de gedaagde, voortvloeiend uit de afwikkeling van hun echtscheiding in 2014. De gedaagde betwist de vordering en stelt dat de eiseres niet-ontvankelijk is vanwege een eerdere volledige financiële afwikkeling in 2020, en dat de vordering bovendien is verjaard.

De kantonrechter oordeelt dat de eiseres ontvankelijk is, maar dat haar vorderingen verjaard zijn. De vordering bestaat uit twee delen: een deel betreft de inkomstenbelasting over 2013 en 2014, waarvoor een verjaringstermijn van vijf jaar geldt vanaf de definitieve aanslag in respectievelijk 2015 en 2016. De andere vordering betreft terugbetaling van betaalde premies voor een levensverzekering, gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, met een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de laatste betaling in 2016.

Omdat de eiseres haar vordering niet tijdig heeft ingesteld en geen stuiting van de verjaring heeft aangetoond, zijn beide vorderingen verjaard. De kantonrechter wijst de vordering af en veroordeelt de eiseres in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Uitkomst: De vordering tot betaling wordt afgewezen wegens verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10214541 CV EXPL 22-36224
datum uitspraak: 7 juli 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.M. Buijs-van Bemmel,
tegen
[gedaagde01],
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P.A. Ellenbroek.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 november 2022, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de brief van [eiseres01] , met bijlagen;
  • de mail van [gedaagde01] , met een bijlage;
  • de brief die [eiseres01] tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen en overhandigd.
1.2.
Op 8 juni 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de partijen en hun gemachtigden besproken.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[eiseres01] en [gedaagde01] waren met elkaar getrouwd. In 2014 is de echtscheiding uitgesproken. In deze procedure stelt [eiseres01] dat [gedaagde01] nog € 8.171,- aan haar moet betalen in het kader van de afwikkeling van hun echtscheiding, maar dat hij dit weigert. Ze eist daarom dat hij wordt veroordeeld om dat bedrag aan haar te betalen met de rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.2.
[gedaagde01] is het niet eens met de eisen. Hij vindt allereerst dat [eiseres01] niet-ontvankelijk is, omdat er al een totale financiële afwikkeling heeft plaatsgevonden bij akte van verdeling van 30 november 2020. Als [eiseres01] wel ontvankelijk is, vindt [gedaagde01] dat de eis is verjaard. Mocht de kantonrechter de eis inhoudelijk beoordelen, dan moet deze volgens [gedaagde01] alsnog worden afgewezen, omdat hij niets meer hoeft te betalen.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres01] wel ontvankelijk is, maar dat haar eisen zijn verjaard. In dit vonnis licht de kantonrechter dit oordeel toe.
[eiseres01] is ontvankelijk
2.4.
Mocht het al zo zijn dat partijen op 30 november 2020 bij de akte van verdeling totaal hebben afgerekend, dan kan dit hoogstens betekenen dat de eisen moeten worden afgewezen, maar dat heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van [eiseres01] . Dit verweer slaagt dus niet.
De eisen van [eiseres01] zijn verjaard
2.5.
Het bedrag dat [eiseres01] eist kan worden opgesplitst in twee delen. De kantonrechter licht hierna per deel toe waarom dat deel is verjaard.
Deel 1: de inkomstenbelasting van 2013 en 2014
2.6.
In het echtscheidingsconvenant hebben de partijen afgesproken: “
Partijen zullen een eventuele teruggaaf of restantvordering met betrekking tot de belastingaangifte IB over het jaar 2013 en over het jaar 2014 voor zover zij nog gehuwd waren met elkaar delen.” Volgens [eiseres01] moet [gedaagde01] op grond van die afspraak nog € 7.321,- aan haar betalen.
2.7.
Op 11 februari 2015 heeft de belastingdienst de definitieve aanslag IB 2013 van [gedaagde01] vastgesteld en op 9 april 2016 de definitieve aanslag IB 2014. De eventuele eis die [eiseres01] op [gedaagde01] heeft, is dus in ieder geval op die momenten opeisbaar geworden (artikel 6:38 BW Pro). Toen is de verjaringstermijn dus gaan lopen.
2.8.
De kantonrechter oordeelt dat een verjaringstermijn van vijf jaar geldt, omdat het gaat om een eis tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst, namelijk het convenant (artikel 3:307 BW Pro). [eiseres01] heeft erop gewezen dat in de echtscheidingsbeschikking staat “
de rechtbank (…) bepaalt dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking.”Volgens haar gaat het daarom om tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, waarvoor een verjaringstermijn van twintig jaar geldt (artikel 3:324 BW Pro). Dit betoog slaagt niet. Het convenant is namelijk ‘alleen maar’ in de beschikking opgenomen om de afspraken van partijen vast te leggen. Zo kunnen zij de nakoming van die afspraken afdwingen (artikel 819 Rv Pro en ECLI:NL:HR:1982:AG4483). Uit de echtscheidingsbeschikking blijkt niet dat het opnemen van het convenant in dit geval een verdergaande reden heeft. Het convenant kan daarom niet worden gelijkgesteld met een rechterlijke uitspraak (vergelijk ECLI:NL:HR:2015:3423). Daarom is ook de verjaringstermijn die daarvoor geldt niet van toepassing is.
2.9.
De verjaringstermijn van vijf jaar eindigde op 11 februari 2020 en 9 april 2021. Uit niets blijkt dat [eiseres01] voor die data een schriftelijke aanmaning heeft gestuurd, of de verjaring op een andere manier heeft gestuit (artikel 3:316 e.v. BW). Dat betekent dat de eis voor zover die ziet op de IB 2013 op 12 februari 2020 en voor zover die ziet op de IB 2014 op 10 april 2021 is verjaard.
Deel 2: premie van de levensverzekering
2.10.
[eiseres01] stelt verder dat zij van 2 september 2013 tot en met 6 juni 2016 maandelijks € 25,- heeft betaald voor de levensverzekering van [gedaagde01] . Zij eist dat [gedaagde01] wordt veroordeeld dit bedrag aan haar terug te betalen. Het gaat om € 850,- (34 keer € 25,-).
2.11.
De kantonrechter is het met [gedaagde01] eens dat ook deze eis is verjaard. De kantonrechter begrijpt namelijk dat [eiseres01] haar eis baseert op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro). In dat geval geldt een verjaringstermijn van vijf jaar, die start op de dag dat [eiseres01] met de schade en de aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 BW Pro). Volgens [gedaagde01] moet daarvoor worden aangesloten bij de data waarop de premie is betaald. Dit heeft [eiseres01] niet betwist. Dat betekent dat de verjaringstermijn is gestart op 6 juni 2016, de dag van de laatste betaling. Aangezien niet is gesteld of gebleken dat de verjaring is gestuit, is de eis op 7 juni 2021 verjaard.
Conclusie: alle eisen van [eiseres01] worden afgewezen
2.12.
Omdat beide delen van het geldbedrag zijn verjaard, wordt de eis tot betaling daarvan afgewezen. De andere onderdelen van de eis van [eiseres01] zijn hierop gebaseerd en worden dus ook afgewezen.
[eiseres01] moet de proceskosten betalen
2.13.
[eiseres01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag vast op € 660,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 330,-). Voor kosten die [gedaagde01] maakt na deze uitspraak moet [eiseres01] een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.14.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiseres01] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 660,-;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
33394