Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 12 juni 2023, met bijlagen;
- de mail van [gedaagde01] , met bijlagen;
- de beschikking die [gedaagde01] tijdens de mondelinge behandeling heeft overhandigd.
Rechtbank Rotterdam
In deze kortgedingprocedure eist Stichting Woonstad Rotterdam de ontruiming van een woning door [gedaagde01], die bij zijn vader inwoonde. De vader had de huurovereenkomst met Woonstad opgezegd en de woning verlaten, maar [gedaagde01] verbleef er nog steeds. Woonstad vordert ontruiming omdat [gedaagde01] geen zelfstandig recht heeft om in de woning te verblijven.
[gedaagde01] betoogt dat Woonstad niet-ontvankelijk is omdat hij onder bewind staat en dat hij mogelijk recht heeft op een huurovereenkomst in een bodemprocedure. De kantonrechter oordeelt echter dat Woonstad wel ontvankelijk is, omdat het geschil niet ziet op goederen onder bewind maar op het woongenot zonder recht.
De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst van de vader is beëindigd en dat [gedaagde01] geen zelfstandig huurrecht heeft. Woonstad is niet verplicht een huurovereenkomst met [gedaagde01] aan te gaan; de wet biedt wel een mogelijkheid tot medehuurderschap tijdens de lopende huurovereenkomst, maar deze is niet benut. Er is geen aanleiding om deze regeling uit te breiden naar de huidige situatie.
Woonstad heeft een spoedeisend belang bij ontruiming vanwege haar taak als sociale verhuurder en de lange wachtlijsten. Het belang van [gedaagde01] om een woning te behouden weegt niet op tegen het belang van Woonstad. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde01] tot ontruiming binnen 14 dagen na betekening en veroordeelt hem in de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [gedaagde01] tot ontruiming van de woning binnen 14 dagen na betekening.