ECLI:NL:RBROT:2023:6163
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde en toekenning beperkte immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een eengezinstussenwoning te Rotterdam, stellende dat deze te hoog was vastgesteld op €327.000,-, terwijl hij een waarde van €314.000,- aanvoerde. Verweerder onderbouwde de waarde met een gedetailleerd taxatierapport en een waardematrix, waarbij vergelijkbare woningen werden meegenomen. De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede gelet op het eigen verkoopcijfer van de woning.
Eiser voerde aan dat het bestreden besluit onbevoegd was genomen, omdat het mandaat niet was verleend, maar de rechtbank verwierp dit standpunt op grond van het principe van attributie en de aanwijzing van de directeur Belastingen als heffingsambtenaar.
Daarnaast stelde eiser een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep. De rechtbank constateerde een overschrijding van ruim vier maanden en vond het forfaitaire bedrag van €500 per halfjaar te hoog voor deze zaak met een beperkt financieel belang. Daarom kende zij een vergoeding van €50 per halfjaar toe.
Tot slot veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser gerelateerd aan het verzoek om immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente. Het beroep werd ongegrond verklaard en het griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en verweerder moet een immateriële schadevergoeding van €50 betalen wegens termijnoverschrijding.