Eiser, voormalig beroepsmilitair en later werkzaam als ladinginspecteur en assistent distributeur, betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV. Het UWV had hem per 23 november 2021 voor 49,70% arbeidsongeschikt verklaard en zijn bezwaar ongegrond verklaard. Eiser stelde dat hij al sinds 2003 volledig arbeidsongeschikt was en dat de vaststelling onjuist was, onder meer omdat geen volledig medisch onderzoek had plaatsgevonden en er sprake zou zijn van een derde recht.
De rechtbank oordeelde dat aanspraken op een WAO-uitkering niet aan de orde zijn, omdat eiser sinds 2007 aanspraak heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank beoordeelde of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op goede gronden had vastgesteld. Uit de rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen bleek dat het onderzoek zorgvuldig, volledig en gemotiveerd was uitgevoerd. De urenbeperking van 30 uur per week werd onderbouwd en de functies die aan eiser waren voorgehouden waren passend.
De rechtbank wees het verzoek van eiser af om een deskundige te benoemen, omdat geen sprake was van een ongelijk speelveld of twijfel aan de zorgvuldigheid van het onderzoek. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.