Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar vijf schuldeisers, waarbij vier schuldeisers instemden, maar één schuldeiser, met een relatief klein aandeel in de totale schuld, weigerde mee te werken. Verzoekster is arbeidsongeschikt en baseert haar afloscapaciteit op haar Participatiewet-uitkering. De regeling voorziet in een eenmalige betaling via een saneringskrediet, wat gunstiger is voor schuldeisers dan een wettelijke schuldsaneringsregeling.
De rechtbank stelt vast dat de weigering van de schuldeiser niet redelijk is gezien het geringe belang van die schuldeiser en het grotere belang van verzoekster en de overige schuldeisers. De regeling is getoetst door een onafhankelijke partij en goed gedocumenteerd. De rechtbank concludeert dat het dwangakkoord het uiterste is wat verzoekster kan bieden en dat het gunstiger is dan de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Daarom beveelt de rechtbank de schuldeiser om in te stemmen met de schuldregeling, veroordeelt haar in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.